Proces over wegwitten wandschilderingen

De familie van de in 1987 overleden kunstschilder Max Raedecker eist via de rechter dat het Nederlands Congres Centrum het overschilderen ongedaan maakt van vier wandschilderingen in de Carrouselzaal van het Haagse Congres Centrum.

De zaak dient op 14 september voor de Arrondissementsrechtbank in Den Haag, nadat het Congres Centrum zich niet bereid getoond had de wandschilderingen in hun oude luister te herstellen.

Pas twee jaar geleden ontdekte Françoise Raedecker-Cammat, weduwe van de kunstenaar, bij een bezoek aan het Nederlans Congres Centrum dat de vier monumentale muurschilderingen, die haar man in 1970 aanbracht, verdwenen waren. Ze bleken tijdens herstelwerkzaamheden in 1992 te zijn overdekt met een laag witte latexverf. Françoise Raedecker sloeg alarm en schakelde haar zoon Marnix in, die de directie van het Congres Centrum, voorheen Haags Congresgebouw, in een brief om toelichting vroeg.

Marnix Raedecker: ,,Ik kreeg een antwoord dat zo neerbuigend en stompzinnig was dat ik er niet eens op in kon gaan. `We begrijpen dat uw moeder overstuur is,' luidde het, `maar wellicht kunnen we de pijn verzachten door enkele schilderijen van uw vader te kopen.' Maar daar gaat het helemaal niet om. Dit werk is uit luiheid en gemakzucht vernietigd zonder de familie er ook maar van op de hoogte te stellen. Mijn vader stond op zeer goede voet met de heer Steensma, de eerste directeur van het Congresgebouw. Zijn schilderingen waren een herinnering aan het gebouw in de beginjaren. Als de huidige directie de werken werkelijk zó lelijk vond, hadden ze er ook iets overheen kunnen hangen. Kunst die uit de mode raakt kan altijd weer terugkomen.''

De familie schakelde advocate R. Milo in, die de schade aan de werken liet taxeren door een restauratrice. Deze oordeelde dat herstel nog mogelijk was na verwijdering van de verflaag, hoewel het een dure aangelegenheid zou worden. Deze zomer nam collega A. Boddaert de zaak van Milo over. Inmiddels is een dagvaarding naar het Congres Centrum uitgegaan, met de eis van herstel van de kunstwerken en een schadevergoeding.

Max Raedecker werd in 1914 geboren in Blaricum maar bracht zijn leven door in Frankrijk. In Nederland werd hij niet zo beroemd als zijn oom, beeldhouwer John Raedecker, maker van het Nationaal Monument op de Dam. Mede dankzij de bemiddeling van zijn vriend Karel Appel verkocht Max Raedecker in Nederland wel veel werk: aan particulieren, maar ook aan bedrijven als Shell.

In 1970 kreeg Raedecker van de directie van het Congresgebouw de opdracht tot het beschilderen van de muren van de nieuwe Carrouselzaal. Toen hij een jaar later terugkeerde om beschadigingen aan de schilderingen te herstellen, maakte hij een val van een steiger die hem het werken twee jaar lang onmogelijk maakte. Zijn verhouding met het Congresgebouw leed daar niet onder: in 1982 had hij er een tentoonstelling met recent werk. De kosten van nieuwe reparaties aan de wandschilderingen kreeg hij van het Congresgebouw vergoed. In 1987 overleed de schilder.

H. Mars, advocaat van het inmiddels tot Nederlands Congres Centrum omgedoopte gebouw: ,,Volgens mijn cliënt zijn er herhaaldelijk pogingen gedaan om contact met de familie op te nemen, maar die mislukten omdat zij zich steeds achter allerlei tussenpersonen verscholen. Het betreft hier zogenaamde monumentale kunstwerken, die deel uitmaken van het gebouw waarop ze zijn aangebracht. Kan een bedrijf, dat toch aan zijn omzet moet denken, redelijkerwijs gedwongen worden om zulke werken voor onbeperkte tijd in stand te houden?''

Vanuit een strikt juridisch oogpunt bekeken staat de familie Raedecker er schijnbaar niet goed voor. Een kunstenaar heeft zolang hij leeft krachtens de Auteurswet het recht om zich te verzetten tegen misvorming of andere aantasting van zijn werk. Dat recht vervalt bij zijn overlijden, tenzij in een codicil een officiële erfgenaam van het oeuvre is toegewezen. Hierin schuilt in het geval van de Raedeckers de moeilijkheid. Het handgeschreven papier waarop Max Raedecker zijn gehele artistieke nalatenschap aan zijn vrouw overdraagt werd door de kunstenaar nooit ondertekend, en is daarom officieel ongeldig.

Marnix Raedecker: ,,Mijn vader had een hekel aan zakelijke aangelegenheden. Hij had geen agent of secretaresse, maar regelde alles zelf. Het staat buiten kijf dat hij zijn oeuvre aan mijn moeder na wilde laten. Ik vermoed dat hij simpelweg vergeten is om dat papier te ondertekenen.Ik hoop dat de rechter straks ook oog zal hebben voor de morele kant van de zaak. Het gaat ons niet om wraak. Het gaat ons om de bestraffing van de nodeloze destructie van het culturele verleden.''