Missie KFOR staat onder druk

De Nederlandse militairen van KFOR doen hun best om een multi-etnisch Kosovo te helpen verzekeren, maar eerst moet het gevaar van het blauwe asbest in hun kampement worden bestreden.

Holland in Kosovo. Tankwagens rijden permanent met watersproeiers over de halfverharde wegen van het kampement van het Nederlandse KFOR-geniehulp-bataljon bij de Kosovaarse stad Prizren. Op een paar kilometer afstand van de grens met Albanië houden zij de boel nat en binden daarmee het zogenoemde blauwe asbest vast.

Af en aan rijden grote vrachtwagens, vaak ook vrachtwagens van aanpalende Duitse KFOR-eenheden, met steenslag en grind die de toplaag van de basis en het daarin aanwezige blauwe asbest moeten bedekken. Het Haagse ministerie van Defensie en de Tweede Kamer hebben hier zoiets als een trauma, dat een paar jaar geleden is ontstaan in de door asbest vervuilde Limburgse Cannerberg en dat tot een Nederlandse asbestnorm leidde die liefst honderd maal strenger is dan de Europese norm. Dat andere KFOR-staten de schouders ophalen over deze wel zeer strenge Nederlandse regels en dat volgens wetenschappers het roken van een paar sigaretten in feite schadelijker is dan een verblijf van een jaar in het kampement bij Prizren, doet niet af aan deze Nederlandse politiek-psychologische erfenis.

Over de snikhete basis dragen groepen militairen, staccato zingend als in een Amerikaanse oorlogsfilm, grote boogvormige tenten naar de uitgang. In totaal moeten 400 tenten en 220 vrachtwagens van het vijf weken geleden in Prizren angekomen bataljon worden schoongemaakt. Het karwei moet in tweeënhalve week klaar zijn, de helft van het bataljon gaat zolang naar Macedonië.

Pas daarna kan het geniebataljon van kolonel K. Gijsbers, zoon van een vroegere legerkorpscommandant, echt beginnen aan zijn (humanitaire) taken. Dus aan het opknappen van de voor negentig procent door Serviërs vernielde Kosovaarse huizen in bergdorpen in de omgeving, waar de teruggekeerde vluchtelingen nu volgens Gijsbers in ,,weerzinwekkende omstandigheden, slapend in kartonnen dozen'' leven. En aan het herstel van wegen daarheen, onmisbaar voor voedsel- en medicijnentransporten, en van de bruggen die door NAVO-bombardementen de afgelopen maanden onbruikbaar zijn geraakt. Om niet te spreken van moedwillig vervuilde waterputten, die in de bergdorpen onmisbaar zijn.

Negentig procent van de Kosovaarse vluchtelingen is al terug. De tijd dringt want over goed anderhalve maand begint de strenge winter. Minister De Grave en staatssecretaris Van Hoof (Defensie) zijn op bezoek en Gijsbers is het van harte eens met hun uitgangspunt, en dat van de Tweede Kamer en de ook op dit punt actieve militaire belangenverenigingen, dat er ,,zeker geen risico's mogen worden genomen met de gezondheid van onze mensen'' (Van Hoof). Maar, ondanks alle respect voor dat uitgangspunt, niemand ontkent dat er een paradoxale spanning ligt tussen de zo hoog genormeerde Nederlandse asbestregels en de vertraging die het humanitaire werk van de 850 Nederlandse militairen in Prizren daardoor nu oploopt.

Gijsbers heeft nóg een pijnlijke kanttekening bij het straks onder controle gebrachte asbest-minidrama. ,,Vergelijkenderwijs zijn wij laat in Kosovo aangekomen, de beste locaties waren toen al door andere KFOR-landen bezet. En nu komt dit er nog eens bij.''

Maandag waren de bewindslieden De Grave en Van Hoof hun tweedaagse bezoek aan de Nederlandse KFOR-eenheden begonnen in Orahovac, waar een bataljon Gele Rijders (ruim zeshonderd artilleriemensen) een basis heeft bij een van de vele wijnfabrieken in zuidelijk Kosovo. De eenheid heeft de situatie aardig onder controle, zo blijkt tijdens een briefing voor Nederlandse journalisten. Het inleveren van wapens door de Kosovaarse strijdmacht UÇK, die op 21 september voltooid moet zijn, verloopt volgens plan. En tot grootschalige gewapende vijandigheden van Kosovaren tegen Servische en Roma-minderheden is het in de Duits/Nederlandse KFOR-sector niet gekomen.

Maar niet te ontkennen valt dat er wel veel kleinere, ook gewapende acties voorkomen, dezer dagen nog tegen een Servisch-orthodoxe kerk waarin Roma-vluchtelingen huisden, die ertoe leiden dat steeds meer geïntimideerde Serviërs en Roma de wijk nemen en er feitelijk toch zoiets gebeurt als een etnische schoonmaak. Waar KFOR nu juist wil meewerken aan het voortbestaan van een multi-etnisch Kosovo, moet dus toch worden gevreesd voor wat een Nederlandse officier ,,een sluipende mislukking van onze taak'' noemt.

Hoe groot de vijandigheid tussen de etnische groepen is, blijkt dinsdag ook bij een bezoek van De Grave aan het enige ziekenhuis in Orahovac. Daar wordt hem uitgelegd dat in de stad, anders dan in Prizren, nog geen enkele vorm van openbaar bestuur bestaat en dat de Nederlandse KFOR-eenheid er zelfs in dat ziekenhuis op moet toezien, tot in de operatiezaal toe, dat Servische patiënten behoorlijk worden behandeld en niet worden mishandeld.

Op vragen hoelang (Nederlandse) KFOR-eenheden nog in Kosovo aanwezig moeten zijn, houdt minister De Grave zich naar vermogen op de vlakte. Na het net begonnen aanvangsjaar kan het daarmee nog niet gedaan zijn, denkt hij. Maar gaandeweg moeten de NAVO-militairen van KFOR in aantal worden verminderd en moeten civiele organisaties, eigen Kosovaarse en VN-groepen, hun taken gaan overnemen, zegt hij erbij.

Hij zal daarbij vast ook aan zijn eigen budget en de bezuinigingen van de eind dit jaar komende Defensienota hebben gedacht. Die genieherstel-eenheid in Prizren is onorthodox bijeengesprokkeld uit landmacht, luchtmacht en marine. In totaal levert Nederland nu omstreeks tweeduizend man. De vraag is hoelang De Grave straks bij de afgesproken bezuinigingen op Defensie nog in staat zal zijn om volwaardig in KFOR-verband mee te blijven doen.