Miljard dollar in Bosnië verduisterd

In Bosnië is uit internationale hulpfondsen de afgelopen jaren tot één miljard dollar verduisterd door de nationale, regionale of lokale leiding van de Kroatische, Servische en moslim-gemeenschappen.

Dat meldde gisteren The New York Times. Het bericht is door de Bosnische president (en moslimleider) Alija Izetbegovic in felle termen tegengesproken, maar bevestigd door woordvoerders van de internationale Bosnië-gezant, Wolfgang Petritsch, die daaraan toevoegden dat het bedrag van een miljard dollar wellicht nog te laag is ingeschat.

The New York Times baseerde de melding over de omvangrijke fraude in Bosnië op een vierduizend pagina's lang rapport van de Amerikaanse fraudebestrijdingsdienst, die schreef dat corruptie en fraude in Bosnië zo welig tieren dat internationale organisaties en ambassades in Sarajevo aarzelen om ruchtbaarheid te geven aan het probleem uit vrees internationale donors af te schrikken.

Sinds het eind van de oorlog in Bosnië in december 1995 heeft het land 5,1 miljard dollar hulp ontvangen voor de wederopbouw. De Amerikaanse fraudebestrijdingsdienst schrijft dat tien Westerse ambassades en internationale humanitaire organisaties twintig miljoen dollar zijn kwijtgeraakt die ze in een Bosnische bank hadden gestoken, maar dat alleen de Zwitserse ambassade het verlies openlijk heeft toegegeven. Het rapport geeft talrijke voorbeelden van fraude, verduistering en corruptie.

Zo lopen tegen de burgemeester van Sanski Most, in de oorlog een van de zwaarst getroffen steden, inmiddels 358 aanklachten wegens corruptie. In één geval verdween 450.000 dollar Saoedisch hulpgeld, bestemd voor de aankoop van landbouwmachines, naar een broer van de burgemeester, die er een eigen bank mee stichtte. In Sanski Most werd hulpgeld misbruikt voor de aanleg van een paardenracebaan.

In Tuzla alleen is de afgelopen drie jaar driehonderd miljoen dollar spoorloos verdwenen. In Tuzla werden de scholen vorig jaar op last van het stadsbestuur vier keer herbouwd en geschilderd, voor twee tot drie keer de normale prijs. De opdrachten gingen naar bevriende aannemers en veel van de aangekochte verf werd op de lokale markt verkocht. Veel scholen in Tuzla hebben intussen nog steeds geen verwarming.

Een van de rijkste Bosniërs is de zoon van de president, Bakir Izetbegovic, directeur van het bureau van stadsontwikkeling, die geld krijgt van iedereen die in een van de 80.000 staatsflats van de stad (vroeger bewoond door Serviërs of Kroaten) wil wonen. Hij krijgt ook een deel van het beschermingsgeld dat winkeliers gangsters betalen, aldus het rapport. In de stad Stolac staan op de plaatselijke markt voor tweedehandsauto's méér gestolen voertuigen dan waar dan ook in Europa.

In het rapport wordt een aantal bij de fraude betrokken functionarissen genoemd. Petritsch' voorganger, Carlos Westendorp, heeft vijftien functionarissen wegens fraude ontslagen, maar de meeste in het rapport genoemde ambtenaren zijn nog steeds in functie.

President Izetbegovic van Bosnië zei gisteren over de melding van The New York Times: ,,Ik verklaar dat het gaat om leugens en stel dat die zijn verzonnen om de Bosnische regering zwart te maken en vriendschappelijke landen te weerhouden van financiële en militaire hulpverlening.''

Maar James Fergusson, een van de woordvoerders van Bosnië-gezant Petritsch, zei dat het beeld dat The New York Times schetst, ,,fundamenteel correct'' is. Een van zijn collega's, Alexandra Stiglmayer, zei dat het verduisterde bedrag ,,waarschijnlijk groter is dan een miljard dollar''. Ze tekende daar wel bij aan dat het niet alleen gaat om geld van de internationale gemeenschap, maar ook en zelfs vooral om belastinggeld, opgebracht door de lokale bevolking. Het bureau van Petritsch onderzoekt op het ogenblik 220 gevallen van fraude en corruptie in Bosnië. (Reuters, AFP, AP)