Gids en model

Laten we aannemen dat Nederland op het punt staat opnieuw een grote stap vooruit te doen op de weg naar de meest menselijke, de verdraagzaamste samenleving. (Humanitair is niet meer het eerstaangewezen woord nu het een krijgskundige term is geworden.) Laten we aannemen dat het wetsvoorstel waarin euthanasie voor kinderen boven de twaalf jaar mogelijk wordt gemaakt, kracht van wet zal krijgen. Misschien heeft het zijn onweerlegbare redelijkheid, misschien zijn begrippen als redelijk niet meer van toepassing. Ik meet me er geen oordeel over aan.

Ik geloof prof.dr. P.A. Voûte op zijn woord. Er zullen situaties voorkomen waarin kind, ouders en arts het eens zijn: het is beter dat een leven beëindigd wordt. Kan, om te beginnen, deze unieke overeenstemming tussen drie partijen in de veralgemening van een wetsformulering worden gevangen? Er zijn grenzen aan het voorstellingsvermogen. Mijn voorstellingsvermogen is niet toereikend om mij de situatie in te denken van een dodelijk ziek kind, van de ouders of van de arts. Ik geloof wel dat ik, zoals het wordt genoemd, `eerbied voor het leven' heb, dat wil zeggen alle leven, niet alleen het menselijke. Maar in deze situatie die blijkbaar dwingt tot een keuze tussen deze eerbied en het besluit, en de daarop volgende daad tot beëindiging van een leven, staakt de bevoegdheid tot oordelen die ik mezelf toeken. Dat is een persoonlijke zaak. Door dit wetsvoorstel wordt deze allerpersoonlijkste zaak tot een politieke gemaakt. Dat wil zeggen: in een vraagstuk waarin het voorstellingsvermogen van niet direct betrokkenen ontoereikend is, en `woorden tekort schieten' zou de wetgever een veralgemening moeten voorschrijven.

Natuurlijk: de volksvertegenwoordigers zullen zich uitspreken over de strengste waarborgen, de zorgvuldigheid, enzovoort. Dat is wel het minste. Maar kan het laatste der persoonlijkste vraagstukken van de levensbeëindiging gevat worden in de terminologie van een wetsartikel? Ik geloof dat dit niet van de wetgever kan worden gevergd. De wetgeving houdt op waar het redelijk, volwassen oordeelsvermogen over zaken van algemeen belang staakt. Er is een grens tussen het menselijkerwijs mogelijk zorgvuldige en de volmaaktheid van een niet bereikbaar perfectionisme. Dit zijn mijn gedachten hierover. Dit wetsvoorstel reikt naar het onbereikbare.

Dan is er nog een andere kant van het algemeen belang, waarover de kiezers wel kunnen oordelen. In zeer uiteenlopende zaken heeft Nederland in vergelijking tot het verwante buitenland, de rest van het Westen, een ethische revolutie achter de rug. Lang geleden woedde hier het conflict over legalisering van abortus, de kliniek Bloemenhove, de `gekraakte schedeltjes' en het `abortustoerisme' uit de Bondsrepubliek. De behandeling van zwakzinnigen in Dennendal heeft nationale beroering gewekt. Het eerste rapport van de Club van Rome heeft hier, als in geen ander land, de publieke opinie milieubewust gemaakt. In vergelijking met het verwante buitenland besteedt Nederland een zeer groot percentage van het nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp. Aan dit alles hebben we het ons zelf verleende predikaat `gidsland' te danken. Gidsland is de ethische voorloper van poldermodel.

Een aantal kanten van de ethische revolutie raakt alleen de Nederlanders. In andere betrekken we, of we het willen of niet, het buitenland. De destijds nog liberale abortuswetgeving is het eerste voorbeeld. Toen kwam het gedoogbeleid terzake van de softdrugs, met intussen de paradox van het gedoogde typisch Nederlandse instituut, de coffeeshop. Door deze drugspolitiek kwam Nederland in conflict met Frankrijk (narco-état werden we genoemd) en met de Verenigde Staten. Een excursie naar de Nederlandse softdrug-instituten van gebruik en behandeling vermocht een Amerikaanse `drugstsaar' niet te overtuigen.

Veel meer weerstand in het buitenland heeft daarna onze wetgeving op het gebied van euthanasie voor volwassenen gewekt. Ook liberale, overigens goed ingelichte Amerikanen putten hun wijsheid uit het boek van Herbert Hendin, die ervan overtuigd blijft dat Nederland, op de slippery slope van de euthanasie tot nazistische praktijken nadert. (Het is in het Nederlands vertaald onder de titel De dood als verleider).

En nu, afgezien van de verdiensten of nadelen die de ontwikkelingen op de zo uiteenlopende gebieden van onze ethische revolutie mogen hebben, is dit langzamerhand een geheel geworden, het complex van de uitzonderlijke Nederlandse ethiek dat alles toestaat wat in andere gebieden van de westerse beschaving streng verboden is, dan wel weerzinwekkend wordt gevonden. En we kunnen er donder op zeggen dat binnen dit complex een wet zou worden beoordeeld die euthanasie voor kinderen van twaalf jaar en ouder mogelijk maakt.

Willen we zo'n wet? Is er een democratische meerderheid? Dan vloeit daaruit een heel andere politieke verplichting voort. Het aannemen van dit wetsvoorstel raakt niet alleen de Nederlandse staatsburgers in hun lot binnen de grenzen. De ontwikkeling van de Nederlandse ethiek wordt tot een vorm van buitenlandse politiek. Als we gids (en model) willen zijn, brengt dit met zich mee dat we al het mogelijke moeten doen om het verwante buitenland aan het verstand te brengen op welke voor ons goede gronden we dat vinden. In het buitenland wonen ook verstandige mensen die nog overtuigd zijn van het tegendeel. Een consequentie is dat de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland er een taak bij krijgen: die van ethische vertegenwoordiging. De ambassadeur wordt exegeet van de unieke Nederlandse beschaving. Uit de woorden gids en model blijken impliciet twee dingen: dat we een hoge dunk van onszelf hebben en dat we niet alleen op de wereld zijn. In het buitenland wordt de Nederlandse ethische revolutie niet begrepen, en dit begrijpen veel Nederlanders weer niet: dat onze ethiek een vaak niet gewild exportartikel is.