Eerste klas Atjeh-kwaliteit

Opening Atjeh Museum, Koeta-Radja, op 31 juli 1915. Te heffen entrée voor noodlijdenden in de kolonie Curaçao: 0,50 cent. Op 1 en 2 augustus open voor Inlanders (0,10 cent) en voor Vreemde Oosterlingen (Chinezen en Arabieren) 0,25 cent.

Deze authentieke aankondiging hangt prominent in de hal van het etnografische museum in het huidige Banda Aceh, hoofdstad van de meeste westelijke provincie van Indonesië.

Op deze droge, hete augustusmiddag ben ik à raison van 750 roepia (nog geen kwartje) de enige bezoeker. Net als eerder op het goed verzorgde `kherkof' waar ruim tweeduizend soldaten uit het koloniale leger begraven liggen. Inclusief generaal-majoor Kohler die op 14 april 1873 sneuvelde. Een gedenkplaat bij de indrukwekkende Baiturrahman moskee in het centrum eert de roemruchte bevelhebber van de Atjeh-expeditie. Atjehers gaan er prat op dat de Nederlanders hen nooit echt hebben kunnen verslaan. ,,Ah, Belanda! Hollander. Ja, natuurlijk zijn er nu weinig toeristen. Te onveilig'', zeggen de drie, blauwgrijs geüniformeerde medewerkers die rondhangen in de kantin.

Nachtbussen rijden er niet meer op het traject Medan-Banda Aceh sinds die op gezette tijden door onbekenden in brand werden gestoken. Wie toch over die weg rijdt, ziet moskeeën en scholen vol met tienduizenden vluchtelingen uit het binnenland. In paniek geraakt bij de aankomst van Indonesische ordetroepen op zoek naar leden van de Vrij Atjeh Beweging.

,,Kan Nederland wegens de gezamenlijke geschiedenis niet bemiddelen in het conflict, net als Portugal in zijn voormalige kolonie Oost-Timor? Voordat er nog meer onschuldige slachtoffers vallen?'', zegt Abdul, een van de suppoosten. En in koor: ,,Natuurlijk willen we allemaal een vrij Atjeh, los van Indonesië!'' Nee, niet terug naar een sultanaat, dat past niet meer in deze tijd. Maar wel voor honderd procent een islamitische republiek. ,,U hoeft heus geen sluier om. Indonesiërs met een andere godsdienst – zoals de christelijke Bataks uit Noord-Sumatra – blijven welkom. Alleen liever geen Javanen, ook al zijn ze moslim'', roept Abdul breed grijnzend, ,,die houden er twee gezichten op na.'' ,,Soeharto wel vier!'' zegt een collega onder luid gelach.

Atjehers, dat is een heel ander slag volk. ,,Als je een Javaan op zijn tenen trapt, vraagt hij beleefd of je je voet wil weghalen. Een Atjeher slaat er gelijk op los'', zegt Abdul. ,,Wij hebben een spreekwoord dat zegt: `Als je de gevoelens van een Atjeher respecteert, kun je zelfs zijn ballen beroeren.' Sorry, mevrouw.''

Als ze zijn uitgelachen: ,,We lijken nu wel zo vrolijk, maar we moeten in deze gespannen toestand wel lachen. Anders worden we gek. Wij voelens ons verwaarloosd. Atjeh is met al zijn bodemschatten stinkend rijk, maar alle winst is altijd al naar Jakarta verdwenen. Als afgestudeerde academici moeten we rond zien te komen van 300.000 roepia per maand (75 à 80 gulden). Alle hoofden van dienst zijn van Java.''

Abdul loopt nog even mee naar de Rumoh Adat, een replica op ware grootte van het traditionale houten huis op palen. Twee grote, langwerpige ruimtes verdelen het interieur met zijn stemmige, donkerrode vloer en wanden in tweeën. Veel Chinees porselein, een wiegje met een witte klamboe en twee aandoenlijke miniatuur rolkussentjes. Naast een frivool wandkleed met zes poesjes hangen de geschilderde portretten van twee statige vrouwen: Cut Meutia en Cut Nya Dhien, de rencong (de traditionele dolk van Atjeh) in de voorband. Twee befaamde legeraanvoersters in de langdurige Atjeh-oorlog. Ik moet denken aan de vrouwen die nu – zo'n honderd kilometer verder in de bergen – de wapens hebben opgenomen tegen het Indonesische leger. Veelal weduwen van vermoorde burgers die de Atjehse traditie van tueng bila (wraak) voortzetten.

Abdul schraapt zijn keel. ,,Gisteren zijn de scholen weer begonnen. De nieuwe schoenen voor mijn dochtertje kosten een kapitaal. Wilt u geen marihuana van me kopen? Eersteklas Atjeh-kwaliteit. De beste van heel Indonesië. Nee? Jammer, andere keer dan maar. Niet doorvertellen aan de politie hè?'', lacht hij als we beneden aan de trap van de Rumoh Adat onze schoenen weer aandoen.

    • Willy van Rooijen