Verdriet en boosheid na de beving

Afgelopen nacht schokte de aarde in Turkije. Niet voor de eerste keer. Onze oud-correspondent was ter plaatse.

Het bed beweegt als de slinger van een klok van rechts naar links, van links naar rechts. Het is een vloeiende beweging die evenwel angstaanjagend lang aanhoudt. Is dit droom of werkelijkheid, flitst het door me heen. Uit ervaring weet ik dat dit de zoveelste aardbeving moet zijn die Turkije teistert en dat ik opnieuw geluk heb gehad. Als het geschud, dat 45 seconden blijkt te hebben aangehouden, ophoudt is alles om me heen nog intact.

Ik logeer in een hotel in het centrum van Istanbul, op de vijfde verdieping. Sinds januari ben ik terug in Nederland, na zeventien jaar in Turkije te hebben gewoond en gewerkt. Voor het eerst ben ik nu weer in Istanbul. Het is mijn tweede nacht, en het is 3.01.37 uur om precies te zijn. Het weerzien had van mij minder heftig gemogen. De stroom valt uit. Ik stap uit bed en kijk uit het raam, naar de achterkant van een gebouw dat de rest van Istanbul volledig aan mijn zicht onttrekt. Zo erg is het dan ook niet geweest, zeg ik geruststellend. Terug in bed voel ik de naschokken. Herinneringen dringen zich op. Allereerst de week in de zomer van 1986, toen in Kusadasi, aan de westkust van Turkije, waar ik toen woonde, een weeklang aardbevingen waren te voelen. Mijn dochter was zeven maanden oud en uit angst voor de aanhoudende bevingen liep ik vaak urenlang met haar op straat. Ons huis bevond zich op een heuvel en schudde vaak zo krachtig dat niet alleen de glazen in de kast tegen elkaar aan rinkelden, maar ook de kasten en al het andere huisraad zich als dronkemannen gedroegen. En dan was er een van de ergste aardbevingen, in 1992 in Erzincan in het oosten van Turkije, met 1600 doden. En de laatste – vorig jaar in Adana aan de zuidkust van Turkije, met 145 doden.

De onvoorspelbaarheid van natuurrampen dwingt respect af, de uitwerking is vaak catastrofaal. Istanbul maakt een verwarde indruk, vanmorgen vroeg. Het is stiller op straat dan gewoonlijk in deze metropool met zeker 10 miljoen inwoners, die maar aan één ding lijken te denken. De verkeerslichten werken niet en in grote delen van de stad is de elektriciteit afgesloten – ook komt er geen water uit de kranen. Er wordt gewaarschuwd voor mogelijke gasontploffingen. In een enkel park picknicken groepen mensen op het grasveld, uit angst voor nieuwe naschokken.

Als de elektriciteit in de loop van de ochtend terugkeert in Arnavutköy, een woonwijk aan de Bosporus waar ik in het huis van een bevriende collega een overzicht probeer te krijgen van de omvang van de ramp, tonen de televisiebeelden dat Turkije verdrietig maar ook boos is. Zoals na elke aardbeving is er de pijn om de honderden doden en de duizenden gewonden. Opnieuw is er de dwingende vraag waarom de autoriteiten van dit land zich zo slecht voorbereiden op de mogelijkheid van een aardbeving, terwijl Turkije in een gevarenzone ligt.

Professionele reddingsploegen ontbreken en de controle op de bouw van flats in de vele buitenwijken van de steden is lachwekkend. Aannemers sjoemelen openlijk met de voorschriften. Het zijn de flats die door hen zijn gebouwd, die nu als een kaartenhuis in elkaar zijn gezakt. Evenals de vele overheidsgebouwen, die nog steeds zo ondeugdelijk worden opgetrokken dat ze bij elke natuurramp als eersten het onderspit delven.

Dat was het beeld in Erzincan, in 1992. Dat was het beeld in Adana, vorig jaar. En dat is het beeld nu in de regio rondom Izmit, zo'n 100 kilometer van Istanbul, waar het epicentrum zich bevindt van de aardbeving van vannacht. Turkije rouwt, maar weet tegelijkertijd dat dit niet de laatste schok zal zijn die het te verwerken krijgt.