Transplantatie beenmerg in minder centra

Beenmergtransplantatie moet slechts in een klein aantal ziekenhuizen worden toegestaan. Concentratie van de huidige centra is noodzakelijk. Ook dienen de centra beter te gaan samenwerken.

Dit schrijft de Inspectie voor de Gezondheidszorg naar aanleiding van haar onderzoek naar de gang van zaken bij beenmergtransplantaties. In haar rapport `Stamceltransplantaties bij kinderen en volwassenen' concludeert de Inspectie dat de centra redelijk tot goed voldoen aan de kwaliteitseisen. Transplantatie van in het beenmerg voorkomende stamcellen, die het bloed aanmaken, vindt onder meer plaats bij patiënten met aandoeningen in het afweersysteem, leukemie en sommige vormen van kanker.

De Inspectie adviseert minister Borst (Volksgezondheid) met name `allogene' beenmergtransplantaties, ingrepen waarbij patiënten materiaal van donoren krijgen, aan vergunningen te binden. Daarbij zou voor kinderen kunnen worden volstaan met beenmergtransplantaties in Leiden en Utrecht. Voor volwassenen zou met vier centra kunnen worden volstaan: Leiden, Nijmegen, Rotterdam en Utrecht. Amsterdam en Maastricht zouden moeten sluiten: het geringe aantal patiënten dat daar wordt behandeld (minder dan tien per jaar) rechtvaardigt het open houden van deze dure voorziening niet, meent de Inspectie.

Voor kinderen zou de minister ook de autologe transplantaties (waarbij bloed of beenmerg van de patiënt zelf na een behandeling weer wordt ingebracht) met behulp van een vergunning moeten reguleren. Op dit moment wordt dat in vijf ziekenhuizen gedaan, maar deze behandeling wordt bij kinderen zo weinig toegepast (zo'n twintig keer per jaar) dat beperking van het aantal centra voor de hand ligt, aldus de Inspectie.

Voor autologe transplantaties bij voor volwassenen zou de minister de Wet op bijzondere medische verrichtingen niet hoeven toe te passen. Wel beveelt ook hier de Inspectie verdergaande samenwerking aan tussen de zestien centra (in dertien ziekenhuizen) waar deze behandeling wordt uitgevoerd. De Inspectie hekelt de gang van zaken in de ziekenhuizen in Amsterdam, Nijmegen en Rotterdam. Daar werken de afdelingen haematologie en oncologie, die beide deze behandeling uitvoeren, nauwelijks samen. Niet alleen wordt er geen kennis en ervaring uitgewisseld, ook worden dure bijkomende voorzieningen in de laboratoria niet gemeenschappelijk gebruikt.