Politie in beklaagdenbank

In Brazilië is gisteren het `proces van de eeuw' begonnen. Ruim 150 politieagenten worden berecht voor de moord op negentien landloze boeren.

,,Het openbaar ministerie moet wel weten wat het doet'', waarschuwde de voorzitter van de Braziliaanse vereniging van militaire politiemensen. ,,Onze mannen staan op knappen. De spanning maakt hen schietgraag. En als de uitspraak in ons nadeel uitvalt, kunnen we een massale muiterij niet voorkomen.''

In een geladen sfeer is gisteren in de noordelijke Amazonestad Belém het proces begonnen tegen 150 militaire politieagenten. Ze worden ervan beschuldigd drie jaar geleden met scherp op een demonstratie van landloze boeren te hebben geschoten. Onder de boeren vielen negentien doden en meer dan vijfhonderd gewonden. De aanklager, die wordt terzijde gestaan door bekende mensenrechtenadvocaten, eist straffen van twaalf tot dertig jaar.

In Brazilië komt het wel vaker voor dat de politie, al dan niet als doodseskader, armen naar het leven staat. Zeker op het platteland. Nog steeds is de macht daar in handen van een klein groepje grootgrondbezitters. Tachtig procent van het Braziliaanse platteland is in bezit van slechts vijf procent van de bevolking. Daarmee heeft Brazilië de meest ongelijke landverdeling ter wereld. De grootgrondbezitters zijn feodale heren, die zowel in politiek als juridisch opzicht hele deelstaten naar hun hand zetten.

Des te opmerkelijk is het proces dat nu in Belém is begonnen. Tegen alle druk in heeft het openbaar ministerie het aangedurfd om de agenten voor het gerecht te dagen. De Movimento Sem Terra (MST, Beweging van Landlozen) is een organisatie van landlozen die door heel Brazilië verwaarloosde landerijen `kraken'. Groepen van twintig of dertig gezinnen bezetten een terrein, bouwen er hun hutjes en beginnen de grond te bewerken. Onder de stadsbevolking worden hun eisen erkend, al verwerpt de meerderheid van de Brazilianen gewelddadige acties.

Op het platteland is de situatie de afgelopen jaren echter steeds grimmiger geworden. Terwijl de politiek na tien jaar debatteren nog steeds geen voorstel tot landhervorming heeft, kopen de feodale heren politieagenten om en richten ze soms milities op om de beweging van landlozen de nek om te draaien.

In april 1996 zou de politie als privé-militie zijn ingezet. ,,Het was een vooropgezette en collectieve daad om de landlozen te vermoorden'', stelt het openbaar ministerie in zijn aanklacht tegen de 150 agenten die aan de schietpartij deelnamen. De commandant, een kolonel, zou 85.000 real (toen ongeveer 170.000 gulden) hebben gekregen om tien leiders van de landlozen te elimineren.

De verdediging voert aan dat voor elke individuele agent moet worden aangetoond wie welke boer heeft gedood. Volgens de aanklacht is dat onmogelijk en onnodig. ,,Video-opnames laten ons zien dat er door de militaire politie massaal op de boeren is ingeschoten. Uit de autopsierapporten blijkt bovendien dat de meeste slachtoffers meer dan één kogel in hun lichaam hadden. Hoe kan dan exact worden vastgesteld wie wel en wie niet het dodelijke schot heeft gelost?'', stelt de openbaar aanklager. Geen van de agenten heeft het bevel van de commandanten geweigerd om op de landlozen in te schieten, zo redeneert de aanklager. Dus is iedereen verantwoordelijk.

Het andere argument van de verdediging is dat de politie uit `zelfbescherming' gehandeld heeft: de boeren zouden vrachtwagens met voedsel hebben geplunderd en de politie met stenen hebben bekogeld. Daartegen voert de aanklager aan dat de boeren op het moment van de slachtpartij slechts gewapend waren met stokken en stenen.

Die dag in april, drie jaar geleden, trokken 1.500 landlozen in een mars door de deelstaat Pará. Op 650 kilometer van de hoofdstad Belém sloegen de boeren en hun gezinnen hun tenten op bij het plaatsje Eldorado do Carajás. Na twee weken lopen en weinig publiciteit besloten ze die ochtend de snelweg te bezetten om hun eis tot landhervorming kracht bij te zetten.

De gouverneur van Pará - van dezelfde partij als de Braziliaanse president Cardoso - stuurde de militaire politie op de betogers af. Volgens de aanklacht opende die meteen het vuur. Hun commandant, die vandaag in het eerste deel van het proces terecht staat, beweert dat hij eerst geprobeerd heeft te onderhandelen. Het openbaar ministerie spreekt dat tegen. Een groot aantal boeren sloeg op de vlucht, maar de politie achtervolgde hen tot diep in het bos en zou een aantal landlozen standrechtelijk hebben geëxecuteerd. Anderen werden met machetes en bijlen bewerkt.

De beelden van de schietpartij gingen de hele wereld over. Net zoals in 1988 met de moord op de rubbertapper Chico Mendes, en vijf jaar later met de moord op vijf zwerfkinderen voor de kathedraal van Rio, ontstond een golf van verontwaardiging. Opnieuw was aangetoond dat Brazilië een land is waar het leven van de `have nots' geen cent waard is.

In een poging dit beeld bij te stellen, werd er elf jaar geleden jacht gemaakt op de grootgrondbezitter die de milieu-activist Chico Mendes liet vermoorden. De man werd veroordeeld, maar wist later met hulp van de lokale autoriteiten uit de gevangenis te ontsnappen. Een paar maanden geleden werden de agenten die in opdracht van de lokale middenstand de zwerfkinderen voor de kathedraal `opruimden' in hoger beroep vrijgesproken. Nu is er voor de Braziliaanse autoriteiten dan opnieuw een kans de wereld te tonen dat het hun menens is met de mensenrechten.

Gemakkelijk zal het niet worden. Juridisch gezien is het een gecompliceerde zaak. De dreiging met muiterij door de militaire politie is uiterst serieus. En de situatie rond de universiteit in Belém, waar het proces gehouden wordt, is zeer gespannen. Aan de slachtoffers en weduwen van de vermoorde boeren deelde de rechter zes publieksplaatsen uit, familie en vrienden van politiemannen kregen 180 plaatsen. Daarom besloot de MST voor het gerechtsgebouw een kamp op te slaan. Ongeveer duizend vrouwen, kinderen en invaliden als gevolg van de schietpartij bivakkeren er in plastic tenten. Ze worden bewaakt door meer dan achthonderd collega's van de agenten die binnen terecht staan.

,,Ik ben bang'', zegt de 26-jarige getuige José Carlos Moreira. Tijdens de schietpartij verloor hij een oog. Elke dag heeft hij hoofdpijn, omdat de kogel die zijn oog wegsloeg nog in zijn hoofd zit. Volgens de dokter kan het projectiel niet worden weggehaald, omdat de jonge boer anders verlamd raakt. In de afgelopen drie jaar zegt Moreira bijna dagelijks te zijn bedreigd door dezelfde politie-agenten tegen wie hij één dezer dagen moet getuigen. De 150 aangeklaagde agenten zijn namelijk nooit geschorst.

    • Marjon van Royen