Op naar de een miljoen

Nederland wordt weer zieker. Het aantal arbeidsongeschik- ten vertoont na enkele jaren van daling weer een opgaande lijn. Ondanks een keur aan maatregelen steekt Nederland op dit gebied nog steeds met kop en schouders boven de buurlanden uit. Kwestie van cultuur? Of speelt er nog iets anders?

Als een landmijn ligt hij al jaren in de rustieke Hollandse polder. Ooit levensgevaarlijk, daarna geleidelijk op de achtergrond, maar nu gaandeweg weer dreigender. Het mechanisme bevat geen chemische maar politieke springstof. En het heet WAO oftewel Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Toen Nederland begin jaren negentig in rap tempo de grens van één miljoen WAO-ers naderde, sprak de toenmalige premier Lubbers `Nederland is ziek'. Waarna hij dreigde op te stappen mocht dat astronomische aantal worden gehaald. Door reeksen ingrepen en systeemaanpassingen werd de WAO zo te zien aan banden gelegd. Maar de laatste jaren gaat het mis. Begin dit jaar werd de 900.000-grens weer gepasseerd en bij ongewijzigde ontwikkeling komt de gevreesde een miljoen arbeidsongeschikten begin volgende eeuw alsnog binnen bereik. Met alle brisante politieke gevolgen vandien. Wat heeft Nederland toch met die WAO? Waarom speelt het probleem in het buitenland zoveel minder of helemaal niet?

Allereerst enkele vergelijkende cijfers die dateren uit 1995 en daarom – naar valt te vrezen – nog geflatteerd zijn voor ons land waar de WAO de laatste paar jaar immers weer in opmars is. Volgens die gegevens staat Nederland qua arbeidsongeschiktheid aan de wereldtop. In totaal is 13,2 procent van onze bevolking in de `arbeidzame' leeftijd tijdelijk of permanent ongeschikt om te werken, gevolgd door Denemarken (10,1 procent), Groot-Brittannië (8,3 procent), België (7,7 procent) en Zweden en Duitsland (ieder 7,6 procent). En wie naar de arbeidsongeschiktheidscijfers wegens psychische klachten kijkt, ziet dat Nederland zelfs drie tot vier keer zo hoog scoort als overig Europa.

Zijn wij inderdaad zo ziek, halfzacht en misselijk?

,,Het tegendeel is waar'', stelt dr. Rienk Prins, directeur van het Leidse onderzoeksbureau AS/tri dat zich bezig houdt met nationaal en internationaal onderzoek en advisering inzake arbeid en sociale zekerheid. ,,Als je kijkt naar zaken als sterftecijfers, levensverwachting of medicijnconsumptie blijkt Nederland zelfs wat gezonder dan de rest.''

Maar vanwaar dan die ziekmakende WAO-cijfers: bijna één op de zeven – van die gemiddeld zeer gezonde – Nederlanders die aan de kant staat? Heeft het misschien te maken met onze klaag-, verzekerings- en gedoogcultuur? ,,Ik geloof niet dat cultuur en volksaard er veel mee te maken hebben'', zegt dr. Leo Aarts, directeur van het Haagse Aarts & De Jong Advies en Onderzoek. ,,In 1970 scoorden we wat arbeidsongeschiktheid betreft maar een fractie meer dan België en minder dan Duitsland. Nu scoren we eens zo hoog als die landen.''

Aarts: ,,Dat heeft alles te maken met ons systeem van de afgelopen kwart eeuw. Dat was een qua uitkeringshoogte en toelatingscriteria zeer genereus systeem dat ook nog eens genereus en met warme instemming van de betrokken sociale partners werd uitgevoerd. Dat leidde in aantallen arbeidsongeschikten al snel tot grote verschillen met de buurlanden. En daar kom je niet snel vanaf, zeker niet als je het stelsel ook gemakkelijk toegankelijk maakt voor jongeren.''

Dr. Rienk Prins beaamt: ,,Wat je ziet zijn geen toevallige verschillen tussen landen maar de gevolgen van hun verschillende systemen.'' De eerste systeemverschillen duiken, volgens de onderzoeker, al op in het ziekte(wet)-traject dat aan arbeidsongeschiktheid en WAO voorafgaat. Is in Nederland een simpel telefoontje aan de chef – ,,Ik voel me niet zo lekker, ik blijf vandaag thuis'' – afdoende, in België en Duitsland ligt dat anders. Daar dient de zieke werknemer direct de arts te consulteren en met diens attest de werkgever en het ziekenfonds te informeren. Anders komt er geen uitkering.

Prins betwijfelt overigens de remmende werking van zo'n attest op het ziekteverzuim. Maar zijn collega ir. Anneke van der Giezen oordeelt: ,,Ik denk dat de drempel voor een ziektemelding door die attestplicht bij ons lager ligt dan in omringende landen.'' Zij knoopt daaraan vast: ,,Dat geldt even goed voor het feit dat de Nederlanders, anders dan de meeste buitenlanders, ziekteverzuim niet in hun portemonnee voelen.'' De Nederlandse wetgeving garandeert de zieke werknemer weliswaar maar 70 procent van het brutoloon, maar dat wordt in het gros van de CAO's automatisch bijverzekerd tot 100 procent. Belgen zijn minder goed af. Zij hebben bij ziekte recht op 60 procent van het brutoloon. De werkgever vult dat meestal op basis van anciënniteit ten dele aan. Maar de doorsnee ziekgeworden Belg derft – zeker als hij/zij jonger is – per jaar ziekte al snel enkele maandlonen. In Duitsland wordt in een aantal sectoren de uitkering tijdens ziekte opgekrikt naar 80 procent en daar blijft het doorgaans bij. Behalve de attestplicht en de lagere uitkering is er in omringende landen nog een derde reden om zich minder snel ziek te melden, namelijk de mogelijkheid om wegens ziekte te worden ontslagen. Nederland is met Zweden het enige land ter wereld waar dat niet mag. Maar in België en Duitsland kan dat wel degelijk. In Groot-Brittannië kunnen werkgevers en werknemers afspraken maken over het maximaal aantal ziektedagen gedurende een zekere periode. Overschrijding kan aanleiding tot ontslag zijn. Zelfs in een als sociaal-paradijselijk geldend land als Denemarken kan een werknemer na 120 dagen ziekte de laan uitvliegen.

,,Dat is inherent aan de manier waarop ze in die landen met ziekte omgaan'', zegt Prins. ,,In Nederland is ziekte van een werknemer onderwerp van overleg, in het buitenland niet zelden van sociaal conflict. Kijk naar de websites van Duitse bonden en je ziet hoe ze zich verdedigen tegen de verdachtmaking dat minder werkloosheid vanzelf leidt tot meer arbeidsverzuim. Je hebt daar zelfs bedrijven die privé-detectives op het spoor van zieke werknemers zetten.''

Komt na de ziekteperiode de WAO in zicht dan duiken er opnieuw opvallende systeemverschillen op tussen Nederland en de buitenwereld. De Nederlandse WAO-er begint met 70 procent van het laatst genoten brutoloon. Dat daalt na verloop van een aantal jaren geleidelijk tot bijstandsniveau. De Belgische WAO-er is slechter af. Die krijgt als alleenstaande 45 procent, als gehuwde 55 procent en als gehuwde met kinderen 65 procent. De Duitsers kennen geen echte WAO, maar een soort WAO-pensioen dat ook echt een eindstation is. Wie daarin belandt krijgt naar gelang het aantal dienstjaren 20 tot 70 procent van het laatste loon. Van der Giezen: ,,Als jonge WAO-er ben je in Duitsland dus bijzonder slecht af, als oudere met veel dienstjaren iets beter dan in Nederland omdat je op 70 procent blijft zitten.''

Nog een belangrijk verschil tusen Nederland en de rest van de wereld: wij maken geen verschil tussen arbeidsongeschiktheid als gevolg van het werk en als gevolg van ziekte in het algemeen en van vrijetijdsbesteding. ,,Wij hebben in 1967 dat onderscheid opgeheven en uniforme premies over totale risico's toegepast'', legt Leo Aarts uit. ,,Dat is goed voor het soepel laten functioneren van een systeem. Maar het is slecht voor het kostenbewustzijn, vooral op de meer riskante plekken waar dat bewustzijn valt te stimuleren door differentiatie in premies en uitkeringen.'' In landen als Duitsland of Amerika ligt dat volgens de onderzoeker anders. Daar bestaat premiedifferentiatie naar gelang de bedrijfsrisico's. En wie arbeidsongeschikt raakt door een bedrijfsongeval krijgt daar een hogere uitkering dan wie zijn been breekt bij het skiën.

In de meeste landen om ons heen worden psychische aandoeningen als overspannenheid zelden aangewezen als een door het werk veroorzaakte ziekte. Maar in Nederland blijken juist die psychische klachten – vooral onder jongeren – de voornaamste oorzaken van een gang naar de WAO. Hoe kan dat? ,,Ik vermoed dat dit met onze cultuur heeft te maken'', vertelt Rienk Prins. ,,In onze samenleving is het tonen van psychische klachten, erover praten, je ervoor laten behandelen mogelijk en aanvaardbaar. Wij zijn op dat punt veel opener en eerlijker dan bijvoorbeeld Duitsers. Daar worden alleen ernstige psychiatrische klachten serieus genomen.''

Toch is er volgens Leo Aarts ruimte om de vaak spectaculair ogende positie van Nederland inzake ziekte en arbeidsongeschiktheid wat te relativeren. Hij stelt dat werknemers langs verschillende wegen vervroegd uit het arbeidsproces kunnen stappen. En zij plegen zulks in meerderheid te doen via de minst onaantrekkelijke weg. In Nederland is dat de WAO, in België blijkt vervroegde pensionering – vaak al vanaf 50 jaar – aantrekkelijker, terwijl er in Duitsland veel meer mensen in de WW zitten.

Ook Prins ziet de verschillende wegen naar de arbeidsongeschiktheidsstatus als communicerende vaten. ,,Tel in de Europese landen WW en WAO bij elkaar op'', zegt hij, ,,en je ziet dat al die nationale verschillen in arbeidsongeschiktheid minder groot zijn dan uit de statistiek naar voren komt. De arbeidzame bevolkingsdelen in de Europese landen tonen veel kleinere verschillen.''

Is het in de wereld van ziekte en arbeidsongeschiktheid dan allemaal lood om oud ijzer? ,,Dat ook weer niet'', oordeelt Prins. ,,De WAO is duurder dan de WW.'' Aarts voegt daaraan toe: ,,Het WW-bestand ademt mee met de economische conjunctuur maar dat in de WAO niet. Als hier iemand met 47 jaar naar de WAO gaat komt hij er normaal gesproken niet meer uit. In de WW is daar wel kans op. Als WW'er sta je anders in het leven.''

Hamvraag: welke les kunnen wij peuren uit de ervaringen om ons heen? ,,Het Nederlandse systeem is vooral in de beginfasen veel te passief bij het reïntegreren van zieken en arbeidsongeschikten'', oordeelt Rienk Prins, ,,al komt daar geleidelijk wel verbetering in.'' Zo zag vorig jaar de Wet reïntegratie arbeidsgehandicapten het licht en wil politiek Den Haag dat werkgevers, arbodiensten en uitvoeringsinstanties zich sneller met zieke werknemers bemoeien. Maar het blijft zwemmen in de stroop, waarbij bonden en werkgevers elkaar regelmatig betichten van gebrekkige inzet.

Feit blijft dat in Nederland minder dan 2 procent van alle arbeidsplaatsen bezet is door mensen met een handicap. In Duitsland is dat 4,5 procent. Wat niet zozeer het gevolg is van meer altruïsme onder Duitse werkgevers alswel van een effectiever systeem. Zo verplicht de Duitse wet werkgevers voor 6 procent arbeidsongeschikten in dienst te hebben. Wordt dat quotum niet gehaald dan betaalt de werkgever een boete van 210 gulden per maand per onvervulde arbeidsplaats. De totale boete – ruim 600 miljoen per jaar – gaat naar de reïntegratie van arbeidsongeschikten. Volgens cijfers van de OESO besteden de Duitsers veertig keer zoveel aan reïntegratie als de Nederlanders.

Dr. Leo Aarts ziet iets soortgelijks in Zweden. ,,Ze hebben daar een andere houding tegenover arbeid'', zegt hij. ,,Iedereen moet daar aan het werk zijn, vindt men. Als dat niet vanzelf gaat dan maar met subsidie. Dus zitten er veel meer mensen dan hier in rehabilitatie- en reïntegratieprojecten, krijgen zij daarvoor een hogere uitkering en vallen ze in de statistiek niet meer onder het hoofd arbeidsongeschiktheid. Dat is beter dan achter de geraniums te zitten. Maar écht opgelost hebben de Zweden het probleem ook niet.''

Maar zijn die één miljoen WAOers die er kennelijk aan zitten te komen – al was het alleen maar omdat onze arbeidzame bevolking snel groeit èn vergrijst – echt een reden tot diepe zorg, politiek tumult en eventueel nieuwe systeemwijzigingen? Aarts: ,,Ach, die één miljoen van Lubbers is een andere dan die ene miljoen waar we nu over spreken. Er is de laatste jaren niet genoeg gebeurd maar toch nog heel wat. Hadden we echt met de armen over elkaar gezeten, dan zaten we nu met 1,3 miljoen WAO-ers. Laten we geen beleid gaan stapelen. We moeten nu vooral zekerheden scheppen zodat er doelgericht kan worden geïnvesteerd. We moeten ook veel leren, beter op elkaar inspelen en tegelijk geduld oefenen.''

Anneke van der Giezen van AS/tri, die de eerste helft van de jaren negentig zelf in de uitvoering van de sociale zekerheid werkte, kan daar in komen. ,,Door de vele reorganisaties zijn de tienduizenden die in deze branche werken vaak moe geworden. Je moet een organisatie de tijd gunnen zulke wisselingen te verteren. Doe je dat niet dan krijg je een slechtere kwaliteit uitvoering van de sociale zekerheid. Ook dat leidt tot meer WAO-ers.''