Het jodendom en de liefde voor de ratio

,,Ik denk dat de daad van verbeelding en emotie die men uitvoert als men deelneemt aan een ritueel, een intrinsiek waardevolle menselijke daad is, een daad die uitdrukking is van morele toewijding, van gemeenschap en van verlangen naar gerechtigheid,'' schrijft Martha Nussbaum in Nexus in een essay met de titel `Het jodendom en de liefde voor de ratio'. Het stuk gaat over haar bekering tot het jodendom na een episcopale opvoeding en ze beschrijft erin niet alleen wat haar ertoe bracht, maar vooral wat haar erin bevalt en hoe er binnen het verlichte jodendom gedacht is en gedacht wordt.

Wat haar aantrekt blijken vooral de morele en sociale waarden van de kosmopolitische joden te zijn, en de levendige discussiecultuur – als leerling van een rabbijn wordt ze aangemoedigd te zeggen wat ze vindt. ,,Niemand van de betrokkenen gaf te kennen dat mijn intelligentie en ambitie iets anders waren dan een groot goed in dit proces.'' Dat was in de episcopale kerk wel anders. Daar zag de jonge Martha toen ze eenmaal de jaren des onderscheids had bereikt vooral racisme en bekrompenheid.

Wie het stuk leest kan moeilijk anders dan sympathie krijgen voor de intellectuele kracht en durf in de verlichte joodse traditie. Al is het verstandig te bedenken dat Martha Nussbaum wel een van de meer intelligente en welbespraakte vertegenwoordigers van die richting is, en dat, dankzij diezelfde discussiecultuur, er door sommige liberale joden ook heel anders gedacht wordt. Zo schrijft Nussbaum over de houding die men tegenover de staat Israël zou moeten innemen. Vroege hervormers hebben gevonden dat kosmopolitische joden zich niet op een eigen thuisland zouden moeten richten en daar is Nussbaum het mee eens. Maar de geschiedenis, schrijft ze, heeft duidelijk gemaakt ,,dat zo'n thuisland instrumentaal van belang is voor de bescherming van het joodse leven, joodse taal en cultuur. Een kosmopolitische jood kan dus behoedzaam het bestaan van de staat Israël steunen al betreurt hij ondertussen het onjuiste gedrag jegens de Palestijnen en de weigering liberale en conservatieve joden (en daarmee de vrouwelijke uit alle richtingen) gelijke rechten te verlenen.''

Haar stuk is informatief en meeslepend, net als, op een andere manier, het artikel van Dostojevski-kenner Joseph Frank: ,,Dostojevski, Arkadi Kovner en `het joodse vraagstuk' ''. Daarin gaat het over het anti-semitisme van Dostojevski. Frank schrijft over brieven die Dostojevski ontving van joodse lezers, en vooral van een zekere Arkadi Kovner die de schrijver bewondert maar hem tegelijkertijd aanvalt vanwege zijn vooroordelen tegen en onwetendheid over `de jid', zoals Dostojevski joden aanduidt. Dostojevski schreef Kovner ook terug, maar reageert op zijn verwijten ten aanzien van zijn houding tegenover joden niet in die brief maar in het openbaar, op een manier die moeilijk anders dan als draaikonterij, bevooroordeeldheid en kwade trouw kan worden gezien. Tegelijkertijd geeft hij in die reactie blijk van groot medeleven met sommige arme joden. Het is een fascinerend, licht weerzinwekkend geval.

Nexus, nummer 23. Uitg. Stichting Nexus Instituut, Tilburg. tel. 013 4663450