Emotionele confrontatie

De eerste kakkerlak die ik tegenkwam, liep in de zomer van 1959 in een Atheens straatje waar ik, geholpen door een Amerikaanse vriend die beter Grieks sprak dan ik, zocht naar een woning. Hij schuifelde voor mijn voeten en Robert, die hem het eerst zag, werd plotseling hysterisch. ,,Kill it, kill it, a cockroach!'', riep hij schril. Maar ik deed het niet. Ik kende het hele diertje niet, ook niet zijn Engelse naam. Ik verwonderde me slechts over de opwinding van mijn vriend. Maar ja, die was nu eenmaal Amerikaan.

In de huizen waar ik daarna woonde, verschenen sporadisch kakkerlakken. Ik was intussen ook door anderen tegen hen opgezet, maar vroeg mij toch af: wat is er eigenlijk mis mee? Ze maken geen geruis, ze stinken niet, ze komen niet in je bed, maar blijven gewoonlijk in de buurt van hun geliefde buizen. Als ziekteverspreiders blijven ze ver achter bij ratten. Eigenlijk zijn ze ook wel mooi. Behorend tot een oeroude diersoort hebben ze in elk geval iets eerbiedwaardigs, althans voor mij. Ik respecteer ze, dat kan niemand me afnemen. Maar ik moet toch ook rekening houden met de buitengewoon slechte reputatie die ze hebben als symbool van alles wat vies is. In mijn keukens en toiletten verschenen ze weliswaar meestal in hun eentje of hooguit met twee, maar ik hoorde dat ze ook kunnen uitgroeien tot een plaag, bijvoorbeeld in het bejaardenhuis van mijn moeder waar, in een dagenlange campagne, alles van z'n plaats moest. Zelf woon ik nooit in eigen huizen maar in huurwoningen, zodat ik rekening moet houden met de gevoelens van de eigenaar die alles `schoon' wil houden. Dus begon ik toch op kakkerlakken te jagen.

Mijn respect groeide nog, want hoewel ze niet bijzonder snel zijn, betonen ze zich vindingrijk in het zoeken naar een schuilplaats. Je ziet ze als het ware denken, als ze tot stilstand zijn gekomen. Tijdens de jacht had ik vaak het gevoel dat er een vreemde band tussen ons groeide. Als het mij lukte er een te doden, betreurde ik dat haast. En als er twee waren, was ik altijd blij dat er één ontsnapte.

Daar komt nog iets bij. Ik geloof niet erg in bestier of regie van een hogere macht, maar soms speel ik met de gedachte dat deze moordpartijen wel degelijk worden bijgehouden en dat we eens totaal onverwacht verantwoording moeten afleggen. ,,Dinsdag 23 augustus 1978 heb je, 's nachts om tien voor twee, de mug M de rug gebroken, terwijl die alleen maar wat hinderlijk zoemde. Donderdag 15 juli 1999 heb je kort voor middernacht kakkerlak K vermoord, hoewel die je in het geheel niets deed. Wat heb je hierop te zeggen?''

Nog niet zo lang geleden bereikten mijn confrontaties met kakkerlakken een emotioneel hoogtepunt. Ik had een groot, fraai glanzend bruin exemplaar aardig in een hoek gedreven en hij wist dit ook. Plotseling deed hij, in uiterste wanhoop, iets wat ik niet voor mogelijk hield: hij fladderde op. Nooit had ik geweten dat kakkerlakken kunnen vliegen (hoeveel lezers weten dit?) en ik heb zelfs de indruk dat ze het zelf niet weten. Want waarom doen ze het niet vaker? Het leek of mijn kakkerlak, in paniek, en bevangen in de dramatiek van de situatie, ongewild teruggreep op een kunstgreep die slechts één keer kan worden toegepast.

Het komt natuurlijk ook doordat we de gedode kakkerlak nooit eens goed bekijken alvorens hem door de wc weg te spoelen in een wc-papiertje. In dit geval fladderde de kakkerlak onhandig, en zonder duidelijk plan, om neer te komen achter een stapel papieren waar ik niet verder ging zoeken. Als hij minder gunstig terecht was gekomen, had ik dat ook niet gedaan. Net als hij was ik geheel ten prooi aan de geladenheid van het moment.

Daarna is er nog een dramatisch moment geweest, dat de kakkerlak – misschien was het wel dezelfde – niet heeft overleefd. Dat was toen hij in de gootsteen terecht was gekomen. Ze mogen dan kunnen vliegen, zwemmen kunnen ze niet.

    • Frans van Hasselt