Een dag uit mijn leven

Achter de melkfabriek van Hoogland had ik linksaf moeten slaan om in Spakenburg te komen. Maar op mijn fietstocht rond het IJsselmeer met de wijzers van de klok mee, zwenk ik bijna altijd naar rechts, en zo kwam ik terecht in het gehucht Johannesburg. In Johannesburg is één winkel. Ik wou een reep chocola. Ik betreed de winkel. Er is maar één klant, die met de winkelierster converseert over verkoudheid en de tropen.

Deze winkel heeft nog nooit van zelfbediening gehoord. Ik zoek de repen. Zou u geloven dat er nog platsen in Nederland zijn waar men nog nooit een witte heeft gezien? Dan maar een rolletje pepermunt. Terwijl repen, net als giro-afrekeningen en honden, in de afgelopen halve eeuw in grootte verdubbeld zijn, was het rolletje pepermunt hier nog net zo bescheiden als in mijn jeugd. Zou het nog vijftien cent kosten?

In Johannesburg heeft men geen haast. De klant had inmiddels gezelschap gekregen van een vriendin. Als ik niet op een nutteloze rondrit was met alle tijd van de wereld, dan had ik nu gekucht en met mijn rolletje op de toonbank geslagen, maar ik besloot me te houden aan de lokale gebruiken. Er kwamen nog meer Johannesburgers binnen. Dit winkeltje was dorpspomp en internet. Om achter de geheimen van hun levens te komen hoefde ik slechts te luisteren.

Alle gesprekken gingen over ziektes of over vacanties en na een uur hoorde ik geen verschil meer tussen de twee. De persoon over wie het verhaal ging, verliet haar huis, kwam in een griezelige omgeving met rare mensen, geeft veel geld uit, hoort onbegrijpelijke woorden, krijgt vies eten, moet vroeg, of juist laat, op of naar bed, overleeft een crisis, houdt een duur telefoongesprek, ondergaat allerlei weer, en na twee weken keert ze goddank weer gezond terug in het eigen veilige Johannesburg. Direct daarna begint dan een ander haar ervaring te vertellen. Mijn enige kans op aandacht was met een sterk verhaal over malaria of Maleisië. Maar ik kwam niet aan het woord.

Ik moest denken aan Stephen Leacock die op visite gaat en als hij na een uurtje zegt: ,,Ik moet maar weer eens opstappen'', de vraag krijgt: ,,Moet u echt al gaan gaan?'' ,,Nee'', zegt Leacock, en hij drinkt zijn honderdste kop thee en bekijkt zijn duizendste familiefoto. Thee is hier ziekte en familie is vacantie.

Ochtend en middag gleden als een schaduw heen. Mijn hand kreeg kramp om het rolletje. Ik had visioenen van supermarkten. Ik was enigszins ingedommeld toen de winkelierster het woord tot me richtte. Ik was de enige klant. Zij zei: ,,Ik ga sluiten. Wilde u wat kopen?'' Ik wist mijn pepermuntrolletje omhoog te krijgen, maar mijn stem was verdroogd. De winkelmevrouw zei: ,,Daar zit niks in, dat is etalagemateriaal uit de oorlog.''

,,Heeft u misschien witte chocola?'' ,,Hahaha mijnheer, en nog een pond zwart zout zeker? Ik hoor dat u van ver komt, Amersfoort zeker? U denkt zeker dat hier de wereld met krantenpapier zit dichtgeplakt.'' Ik vroeg de weg naar Spakenburg. ,,Dan moet u terug naar de melkfabriek van Hoogland en daar rechtsaf.'' Ik zal deze dag nooit vergeten.