Bayreuth in de ban van duistere `Lohengrin'

De Richard Wagner Festspiele presenteren Lohengrin in een nieuwe produktie en de Wagnerstad Bayreuth is door de opzienbarende voorstelling in de ban van de legendarische zwanenridder. Al speelt de opera aan de Schelde, het gegeven verbindt de Duitse geschiedenis met de oorsprong van het Christendom. Onder de ogen van de Saksische koning Heinrich IV komt Lohengrin de bedreigde Elsa van Brabant te hulp. Met die nobele ridder, per zwaan afkomstig van de voor mensen onbereikbare Graalsburcht, wil iedereen zich identificeren.

In het stadhuis van Bayreuth is een tentoonstelling over de fascinatie die Lohengrin nu al anderhalve eeuw opwekt. Men ziet er tekenfilms met zwanen die zwemmen een badkuip op de etherische muziek van Mein lieber Schwan. De beroemde bruidsmars klinkt telkens weer op, zoals in de film High Society met Grace Kelly, Bing Crosby en Frank Sinatra. Er zijn foto's van de Duitse keizer in een zwanenboot. De Beierse koning Ludwig II ging hem voor: hij voer 's nachts bij zijn lustvilla Linderhof 's in een zwaan op een kunstmatig golvend meertje in een grot die hij daarvoor had laten bouwen.

Lohengrin (1850) was beslissend voor de carrière van Wagner. De eerste keer dat Ludwig II het werk zag, ontvlamde de jonge prins in adoratie voor Wagner. Hij betaalde diens Festspielhaus en het huis Wahnfried in Bayreuth. Ludwig II, die opgroeide op het kasteel Hohen Schwangau en in het theater de zwanenmythe `werkelijkheid' zag worden, bouwde zelf later het sprookjeskasteel Neuschwanstein.

In het Festspielhaus rekent de Lohengrin van het Britse duo Keith Warner (regisseur) en Antonio Pappano (dirigent) radicaal af met de schone schijn van de zwanenridder, vrijwel altijd gepresenteerd in ensceneringen van blauw, wit en zilver. Nietzsche zei al dat er veel `blauwe muziek' zit in Lohengrin, maar dirigent Pappano ziet naar eigen zeggen alleen maar `groen'. Regisseur Warner ervaart Lohengrin uitsluitend als `donker en nog donkerder' omdat Lohengrin Wagners `enige tragedie is', zonder een waarlijk verlossend slot.

In de visie van Warner kan Lohengrin niet kiezen tussen zijn bovenmenselijke status en zijn menswording door af te dalen naar de aarde. Aan de voortdurende dreigementen van Ortrud en Telramund weet hij geen eind te maken. Het huwelijk met Elsa gaat fout wanneer Elsa, die niet mag weten wie hij is, toch de verboden vraag naar zijn herkomst stelt. Uiteindelijk sterft Elsa en verdwijnt Lohengrin in het niets.

De terugkeer van Elsa's verdwenen broer Gottfried, in andere voorstellingen immer het stralend optimistische slot van Lohengrin, is voor Warner geen teken van hoop en redding. Gottfried treedt naar voren met een dode zwaan in zijn armen, een beeld dat herinnert aan de droeve entree van de `reine dwaas' in Parsifal. Op deze Godfried van Bouillon heeft Warner geen goed oog: hij doodde tijdens de Eerste Kruistocht vijfduizend joden, werd in 1099 gekozen tot Koning van Jeruzalem en nam de titel `beschermer van het Heilig Graf' aan.

Warner toont zijn pessimisme in een voorstelling die verloopt van zeer duister naar nog veel duisterder. Slechts even zien we nog een glimp van het traditionele lichtblauwe Lohengrin-schijnsel, verder is de sfeer deprimerend en inktzwart. Symbolisch hoogtepunt daarvoor is het moment dat de zon (die staat voor de Graalsburcht) totaal wordt verduisterd, zonder corona. Dat gebeurt als Elsa geheel alleen staat. Terwijl ze wordt belaagd door Ortrud en Telramund, wenden Heinrich en Lohengrin zich van haar af.

De enscenering van Warner plaatst Lohengrin geheel in het verlengde van de Goede Vrijdag-opera Parsifal. Net zoals Pilatus wast Heinrich zijn handen in onschuld. Ortrud is een reïncarnatie van het duivelswerktuig Kundry. Ook zien we het Parsifal-thema van de `imitatio Christi', de navolging van Christus. Lohengrin verschijnt niet aan de Schelde, maar aan een poel, het Meer van Galilea, de plaats van terugkeer van Jezus na zijn wederopstanding.

Ondanks het beeld van de totaal falende ridder is deze Lohengrin onder het goedkeurend oog van artistiek leider Wolfgang Wagner een groot publiekssucces. Dat komt door een hoogst aantrekkelijke mix van naturalisme, traditionalisme en conceptualisme, bijeengehouden door bevattelijke symboliek. Het naturalisme ziet men in het realistisch ogende modderlandschap en de ouderwets rijke kostumering. Het traditionalisme blijkt in citaten van de typische Bayreuth-stijl van Wieland Wagner: de strakke geordende koorscènes en de grandioze verschijning van Heinrich en zijn geharnaste leger. Zij dalen neer op een platform en met al die speren lijkt het een gothisch fries. Later verschijnt het leger nog met drie extra lagen. Het conceptualisme ziet men in de zonsverduisterings-scène.

De voorstelling is een dramaturgisch en theatertechnisch wonder waarin het extreme standpunt van Warner zich bijzonder overtuigend rechtvaardigt. De enscenering wordt ook vanuit de akoestisch fameuze orkestbak briljant ondersteund door Pappano, die in de Lohengrin-partituur de `blauwe muziek' grauw belicht, de bruidsmars laat horen als een Mahleriaans-groteske dodenmars en een voorstudie hoort van het diepdreigende duister van Götterdämmerung.

Vocaal kan deze produktie het met Roland Wagenführer (Lohengrin) en Melanie Diener (Elsa) niet halen bij de ideale bezetting met Jess Thomas en Anja Silja, in 1962 door Philips op de plaat gezet. De aria Im fernen Land mist Wagenführer lengte en glans. Deze produktie rekent dan ook in alle opzichten af met het bovenaardse en bovenmenselijke aura van Lohengrin. Jean Philippe Lafont is een goede Telramund, de scherp en vilein krijsende Gabriele Schnaut is een archetypische Ortrud.

Een bezwaar bij deze enscenering is de onverbiddellijke houding van regisseur Keith Warner. De handeling van de opera en het personage Lohengrin maken geen ontwikkeling door. De strenge slotconclusie van Warner wordt al in de eerste seconde getoond en daaraan is niet meer te tornen. De toeschouwer krijgt geen kans om zelf een oordeel te vormen of ontdekkingen te doen in het complexe geheel. Keith Warner is zó zeldzaam dwingend, dat men denkt dat Lohengrin zó moet en niet anders. Als koning Ludwig II destijds deze enscenering had gezien, had hij de machteloze Lohengrin niet als held gezien en zou hij zich zeker niet hebben opgeworpen als de meceanas van Richard Wagner.