Zoon van Saddam martelde voetballers

Iraakse voetbalinternationals zijn op last van Uday, de zoon van de Iraakse president Saddam Hussein, gemarteld nadat zij belangrijke wedstrijden hadden verloren. Oud-international Sharar Haydar Mohammad al Hadithi heeft dat gisteren verklaard in de Engelse zondagskrant The Sunday Times.

Zelf werd Sharar naar eigen zeggen twee keer opgesloten in de beruchte Al Radwaniya-gevangenis bij Bagdad. Eén keer zat hij vast in een geheime gevangenis in het gebouw van het Iraakse olympisch comité, waarvan Uday voorzitter is. Hij werd elke dag op zijn voetzolen geslagen, met zijn blote rug over een gravelbaan gesleept en dan gedwongen in een bak met rioolwater te springen, zodat hij de wonden beter zou voelen. Bovendien werd hij uit zijn slaap gehouden en moest hij het doen met een rantsoen van water en brood.

Sharar (31) heeft diverse interlands voor Irak gespeeld. Hij maakte deel uit van de ploeg die in 1988 deelnam aan de Olympische Spelen in Seoul. Zijn uitspraken brengen de wereldvoetbalbond FIFA in een lastig parket. Na onthullingen in een andere Britse zondagskrant, The Observer, stelde de bond twee jaar geleden een onderzoekscommissie in. Deze kwam na gesprekken met Iraakse officials en twaalf spelers tot de conclusie dat van martelingen geen sprake was geweest.

De vroegere woordvoerder van Uday, Abbas Janabi, die net als Sharar niet meer in Irak woont, heeft de uitlatingen van de oud-international bevestigd. Janabi zegt dat hij heeft gezien hoe internationals werden gemarteld, nadat zij er niet in waren geslaagd zich voor het WK in de Verenigde Staten (1994) te plaatsen. Uday wilde volgens zijn vroegere woordvoerder de spelers niet doden. Hij hoopte dat ,,zij door hun bestraffing zo bang zouden worden dat zij beter zouden gaan spelen''.

Volgens Sharar heeft één international door de martelingen een zenuwinzinking opgelopen. Anderen konden wekenlang niet in actie wegens de verwondingen. (Reuters)