`Verzamel DNA zedendelinquent'

DNA-gegevens van alle zedendelinquenten die tot een gevangenisstraf van vier jaar of meer zijn veroordeeld moeten in een DNA-databank worden verzameld. Ook moeten politiekorpsen voortaan op de hoogte worden gebracht als plegers van een zedenmisdrijf in hun regio komen wonen.

Dit zegt korpschef J. Wilzing van de regio IJsselland namens de Raad van Hoofdcommissarissen in reactie op de vondst van Chanel Naomi Eleveld uit Assen. Zij werd misbruikt en vermoord door een man die eerder een gevangenisstraf uitzat wegens het verkrachten van een minderjarige.

Volgens de huidige wet mogen DNA-gegevens pas worden ingezet bij delicten waarop acht jaar of meer staat. Door ,,terugploegen'' moeten nu de DNA-gegevens van alle zedendelinquenten die op het moment een gevangenisstraf van vier jaar of meer uitzitten worden verzameld, vindt Wilzing. Dit omdat het recidivepercentage onder zedendelinquenten met circa dertig procent hoog is.

Wilzing verwijst naar de ruim 600.000 vingerafdrukken die de Divisie centrale recherche informatie (CRI) thans in een databank bewaart. Vingerafdrukken die na een zwaar misdrijf worden aangetroffen worden hier al mee vergeleken. De zogenoemde `contactsporen' van een dader die na een zedenmisdrijf achterblijven op het lichaam van het slachtoffer, zoals haren of sperma, zouden op vergelijkbare wijze met de gegevens in een DNA-databank vergeleken kunnen worden. ,,De zedendelinquent wiens DNA in de databank wordt bewerkt merkt daar niets van, en hij heeft het voordeel dat hij zo ook in een vroeg stadium kan worden uítgesloten als verdachte'', aldus Wilzing.

Het is nog niet gebruikelijk dat aan de politie in een gebied wordt gemeld dat een zedendelinquent zich er komt vestigen. Dit moet volgens Wilzing ,,wellicht ten koste van de privacy'' veranderen: ,,De politie dient de delinquent te laten weten dat zij op de hoogte is van zijn aanwezigheid en dat zij bovendien alert is op zijn gedrag.''

De korpschef voegt daaraan toe dat de verwachtingen met betrekking tot `monitoring', het blijven volgen van van een delinquent, niet te hooggespannen moeten zijn. Het zal zedendelinquenten die van plan zijn een nieuw misdrijf te plegen daarvan niet kunnen weerhouden. Monitoring betekent volgens Wilzing een goede informatie-uitwisseling tussen de politie, reclassering en andere hulpverleners die contact hebben met de delinquent. Het aan een buurt bekend maken dat er een zedendelinquent is komen wonen, gaat de Hoofdcommissarissen te ver.

Wilzing wijst op de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (BOB), die volgend jaar van kracht wordt en de mogelijkheden voor bijvoorbeeld observatie beperkt. ,,De roep om delinquenten in de gaten te laten houden verhoudt zich slecht met die wet.''