Rechten zedendelinquenten mogen niet altijd heilig zijn

Bij ernstige zedendelicten wegen in Nederland de rechten van de verdachte nog altijd zwaarder dan die van het slachtoffer. Tom Schalken vindt dat dit moet veranderen. De wetgever moet in een rechtszaak de belangen van het slachtoffer weer vooropstellen.

Het is een oude maar steeds weer actuele discussie: in hoeverre moet het strafrecht, dat zo sterk op de berechting van de dader is gericht, rekening houden met het belang van het slachtoffer? Mag van een verdachte die een verkrachte vrouw met het HIV-virus heeft besmet, worden geëist dat hij zich aan een aids-test onderwerpt? Mag een beperkte kring van niet-verdachten worden onderworpen aan een (vrijwillige) DNA-test teneinde, zoals in de Utrechts regio, een serieverkrachter te kunnen opsporen? En op welke wijze mag een veroordeelde pedofiel na het uitzitten van zijn straf in de gaten worden gehouden om te voorkomen dat hij zich weer aan een ernstig delict schuldig maakt (zoals in de zaak van de verkrachte en vermoorde zevenjarige Chanel Naomi Eleveld uit Assen).

Bij de beantwoording van deze vragen struikelen de opvattingen over elkaar heen. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat er intussen een omslag in het denken heeft plaatsgevonden. Vaak wordt naar het karakter van het strafproces en naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verwezen om te benadrukken dat de verdachte te allen tijde voorrang heeft boven het slachtoffer. Sedert 1994 gaat de Europese rechtspraak er echter van uit dat het EVRM ook bescherming biedt aan het slachtoffer. Voorwaarde is wel dat deze bescherming niet ten koste gaat van de verdediging van de verdachte.

In deze voorwaarde ligt de crux van het probleem. In het Nederlandse strafrecht staat – ook als het slachtoffer in beeld komt – de waarheidsvinding centraal. Er is maar één vraag die altijd en in de eerste plaats beantwoord moet worden: heeft de verdachte het al of niet gedaan? De rechter mag de verdachte slechts dan veroordelen als er betrouwbaar en overtuigend bewijs voorhanden is. Dit houdt tevens in dat de verdachte voldoende en adequate mogelijkheden moet hebben gehad om de betrouwbaarheid van het bewijs aan te vechten. Het respect voor het belang van het slachtoffer mag nimmer zover gaan dat de verdachte op twijfelachtige gronden wordt veroordeeld.

De betrouwbaarheid van de waarheidsvinding speelt niet alleen een wezenlijke rol bij de berechting van de verdachte, maar ook tijdens de opsporing. Vooral in dat stadium geldt het algemene beginsel dat een verdachte niet verplicht is aan zijn veroordeling mee te werken, zodat hij in de regel ook niet verplicht kan worden aan het onderzoek tegen zichzelf mee te werken (het zogenoemde nemo tenetur-beginsel). Nu heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in zijn belangrijke Saunders-beslissing uit 1996 bepaald dat dit beginsel niet opgaat als het bewijsmateriaal onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat (zoals bij adem, bloed, sperma, wangslijm, urine). Achtergrond van deze uitspraak is natuurlijk dat het materiaal in die gevallen betrouwbaar bewijs oplevert.

Dit betekent dat een DNA-test op basis van lichaamsmateriaal – mits zorgvuldig uitgevoerd – door een verdachte nooit kan worden geweigerd omdat hij in strijd zou zijn met het nemo tenetur-beginsel. Geldt dit dan ook voor een aids-test? Ja, in principe wel, zij het dat die dan wel wettelijk geregeld moet worden. De wetgever heeft daarbij te letten op nog andere rechten waarover de verdachte beschikt, zoals het recht op lichamelijke integriteit en het recht op bescherming van zijn privacy. Maar in die afweging zullen de rechten van de verdachte gewoon moeten concurreren met dezelfde rechten van het slachtoffer. De uitkomst van die afweging kan geen andere zijn dan dat het belang van het slachtoffer prevaleert. Er is geen zinnig argument te bedenken waarom de rechten van de verdachte bij een alcoholcontrole wel moeten wijken, maar bij een ernstig zedendelict met slachtoffer niet. De wetgever ontkomt er dan ook niet aan deze kwestie te regelen, ook al kan hetzelfde resultaat soms ook via een civiel kort geding worden bereikt. Als het probleem zich in het strafrecht voordoet, zal het ook in die context opgelost moeten worden.

De zaak wordt problematischer als er nog geen verdachte is, zoals bij de Utrechtse serieverkrachter. Hoever mag de politie dan gaan? Mag zij aan personen die formeel niet verdacht zijn, vragen zich aan een vrijwillige DNA-test te onderwerpen? DNA levert betrouwbaar bewijs op, dus kan het verzoek niet met verwijzing naar het nemo tenetur-beginsel worden geweigerd. De weigering kan eenvoudig worden gebaseerd op de wet: een verplichte DNA-test is alleen bij een verdachte mogelijk. Maar als de test vrijwillig is? Maar wat is hier vrijwillig? Wie niet meewerkt wordt daardoor weliswaar geen verdachte, maar blijft wel voorwerp van bijzondere aandacht door de politie. Dat risico zou men kunnen rekenen tot een burgerlijke plicht om zich, gelet op de in het geding zijnde belangen, een zekere overheidsaandacht te laten welgevallen. Het Utrechtse verzoek lijkt mij onder omstandigheden – gelet op het belang van de (potentiële) slachtoffers en het ontbreken van alternatieven – toelaatbaar.

En welke overheidsaandacht moet een veroordeelde pedofiel zich laten welgevallen in de situatie dat er nog niet eens een delict is gepleegd? Er is dus nog geen (nieuw) slachtoffer, maar kinderen in de directe omgeving kunnen dat wel worden. Vele juristen roepen meteen als in een reflex dat preventieve maatregelen hier moeten afketsen op de privacy van de veroordeelde. Maar het EVRM staat een inbreuk op het privacyrecht ook toe met het doel om strafbare feiten te voorkomen. De kans op recidive bij ernstige zedendelicten is vrij hoog. En de gevolgen zijn voor kinderen traumatisch. Het risico dat er weer een kind verkracht of zelfs vermoord wordt is te dramatisch om het privacyrecht van de eerder veroordeelde zedendelinquent onaangetast te laten. Ook nadat hij zijn straf heeft uitgezeten, rechtvaardigt dat risico blijvende aandacht. Maar hoe moet die aandacht worden georganiseerd om het andere ongewenste risico van lynchjustitie te vermijden?

Het Nederlandse strafproces laat het slachtoffer traditioneel in de kou staan. Door de Wet-Terwee (1995) is de positie van het slachtoffer weliswaar iets verbeterd, maar de invulling daarvan hangt toch vooral van goedwillende magistraten af. Op de zitting is het slachtoffer nog steeds monddood. Over zijn vordering tot schadevergoeding mag hij iets zeggen, maar wel graag kort, liever niet. Over zijn persoonlijke beleving van het delict en zijn visie op de wijze van afdoening, is in het strafproces geen plaats.

Tegen die achtergrond valt er veel voor te zeggen om het strafgeding in twee fasen te splitsen. De eerste fase zou dan moeten gaan over de vaststelling van de feiten, waarbij het slachtoffer eventueel als getuige een rol kan spelen. In dit stadium staan de rechten van de verdachte voorop, met name zijn recht om de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding aan te vechten. De tweede fase zou dan betrekking moeten hebben op de afdoening van het delict, waarbij het slachtoffer weer een meer prominente positie krijgt. Datgene wat het slachtoffer naar voren brengt kan de rechter in zijn beslissing laten meewegen.

Maar de rechter zou ook, zoals in het geval van de pedoseksueel, de apart geregelde bevoegdheid moeten krijgen om de verdachte bepaalde verplichtingen op te leggen, bijvoorbeeld de verplichting om zich regelmatig bij politie of reclassering te melden, de verplichting om te verhuizen en zich niet in de buurt van het slachtoffer op te houden, maar ook de verplichting om een voorgeschreven medicatie te gebruiken. De rechter die tenslotte alle stukken kent, kan immers de kans op recidive het best inschatten. Enkel met het opleggen van een straf heeft het strafrecht zijn maatschappelijke opdracht nog niet ingelost.

Voor de meeste slachtoffers is het Nederlands strafproces een bureaucratisch ritueel. Het is knap hoe de wetgever nog steeds kans ziet alle emoties van het slachtoffer uit de rechtszaal te weren. Die mogen op straat worden geuit. Of zijn er soms ook in Nederland witte marsen nodig?

Tom Schalken is hoogleraar strafrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

    • Tom Schalken