Politieke elites moeten geen macht najagen

Politieke elites wekken in toenemende mate de ergernis van de gewone burger. Om dit tegen te gaan moeten zij vanuit een gefundeerde politieke visie naar het algemeen belang en niet naar macht streven, vindt Andries Hoogerwerf.

Het gekrakeel in en rond het tweede kabinet-Kok maakt deel uit van een meer algemeen probleem. De manier waarop elites in de politieke democratie functioneren, roept al jaren bij veel burgers wrevel en verontrusting op. In brede kring is het beeld ontstaan dat veel politici en topambtenaren de fundamentele politieke idealen uit het oog hebben verloren en in de ban zijn geraakt van het streven naar macht en eigenbelang. Daarmee is de kwaliteit van het politieke leiderschap in het geding.

Het Nederlandse volk lijkt steeds minder bereid met zich te laten sollen door zijn regenten. Verscheidene ontwikkelingen in het laatste kwart van deze eeuw hebben dit in de hand gewerkt.

De gedachte dat leden van politieke elites – zoals ministers, Kamerleden en topambtenaren – zich onderscheiden door superieure persoonlijke eigenschappen, is in de televisiedemocratie steeds minder houdbaar. Persoonlijke en politieke tekortkomingen laten zich niet meer maskeren. De televisiedemocratie vereist politici met een sterk charisma. Maar tegelijk ondermijnt zij dat charisma voortdurend door persoonlijke eigenaardigheden en politieke uitglijders te accentueren. Gezag moet worden verdiend, maar dat is tegenwoordig moeilijker dan ooit.

Een negatieve beeldvorming wordt bevorderd doordat politieke elites vooral bestaan uit mensen met een hoge opleiding en een hoog inkomen. Zij kunnen zich niet altijd voldoende in de problemen van minder gesitueerden inleven.

Daarnaast is de politieke elite verambtelijkt. Kamerleden worden voor ruim de helft uit beroepen in de publieke sector gerecruteerd. Bovendien spelen bij benoemingen in hoge publieke functies meer dan voorheen ook partijpolitieke criteria een rol. Intussen is het aantal partijleden gedaald tot minder dan drie procent van de kiesgerechtigde bevolking. Als gevolg van dit alles kunnen veel burgers zich onvoldoende in de politieke elites herkennen.

Daar komt bij dat de politieke elites steeds meer een gesloten circuit lijken te vormen. Het overleg van ministers met de fractieleider en voorzitter van de eigen partij is sterk toegenomen. De regeringsfracties in het parlement zien het als hun belangrijkste taak het kabinet en vooral de eigen ministers en staatssecretarissen in het zadel te houden.

Het beeld van een gesloten circuit wordt versterkt doordat de programmatische verschillen zijn verminderd. De grote politieke partijen zijn naar het midden van het politieke spectrum opgeschoven. Kamerleden betitelen elkaar tegenwoordig als collega's.

Ook de stijl van het politieke leiderschap roept kritiek op. Bewindslieden, Kamerleden en topambtenaren hebben zich meer en meer ontwikkeld tot verambtelijkte en professionele managers. Zij doen veelal een beroep op belangen in plaats van politieke waarden. Calculerende politici maken calculerende burgers nog meer calculerend.

Meer in het algemeen heeft het publieke beeld van de overheid en de politiek ernstige schade opgelopen. Daartoe hebben niet alleen de schandalen bijgedragen. Door naar `meer markt en minder overheid' te streven, hebben politici de eenzijdige en onterechte indruk gewekt dat de overheid faalt en de markt een succes is.

Het beeld dat politieke elites vooral hun macht en eigenbelang nastreven, wordt versterkt doordat hun openheid voor de problemen en wensen van de bevolking vaak beperkt is. Dit hangt samen met het feit dat veel politici een negatief beeld van de burgers hebben. Zij veronderstellen dat de burgers niet in politiek geïnteresseerd zijn en geen politieke kennis hebben. Dit beeld is te generaliserend en dus feitelijk onjuist.

Ook de manier waarop politieke elites worden geselecteerd, stuit op kritiek. Over de kandidaatstelling voor het parlement beslist binnen de meeste partijen in feite de partijtop. Bij de selectie van bewindslieden tijdens de kabinetsformatie blijkt het criterium van de bekwaamheid niet altijd voldoende aandacht te krijgen. Falende bewindslieden, Kamerleden en topambtenaren worden zelden tot aftreden gedwongen.

De conclusie moet zijn, dat de politieke elites als gevolg van verscheidene ontwikkelingen in de ogen van veel burgers niet goed functioneren. Daarom moet de kwaliteit van zowel het politieke leiderschap als de politieke democratie worden verbeterd.

Een hervorming kan gedeeltelijk de vorm aannemen van structurele veranderingen, zoals het invoeren van een referendum, herinvoering van de opkomstplicht bij de stembus en een drastische versterking van de interne partijdemocratie.

Daarnaast zijn ingrijpende veranderingen in de politieke cultuur nodig.

Leden van politieke elites moeten primair op hun kwaliteit en representativiteit worden geselecteerd, ook van buiten de politieke partijen. De gezamenlijke politieke elites behoren de politieke en in grote lijn ook de sociale samenstelling van de bevolking te weerspiegelen. De verschillende politieke elites behoren binnen het kader van hun taak voldoende zelfstandig op te treden en voldoende te worden gecontroleerd. Naast elementen van een gezamenlijke politieke cultuur behoren zij ook een herkenbare eigen (partij-)cultuur te hebben.

Maar vooral moeten zij door hun gedrag aan de burgers laten zien dat zij vanuit een gefundeerde politieke visie naar het algemeen belang en niet naar macht of eigenbelang streven. Kortom, de politieke democratie moet minder elitair worden.

Prof.dr. A. Hoogerwerf is politicoloog.