Joodse tegoeden

De recente discussie in deze krant na de publicatie van het artikel van Hans Knoop op 7 juli toont weer aan hoezeer het vraagstuk van de in de oorlog geroofde joodse goederen en tegoeden de gemoederen bezighoudt. Verwonderlijk is dat niet, omdat enerzijds een grote groep betrokkenen zich nog steeds benadeeld weet en anderzijds het grove onrecht hen ook nadien aangedaan door de Staat der Nederlanden en de grote banken gezien wordt als een verlengstuk van de discriminiatie die ze in de oorlog hebben ondervonden. De verwachting is gewekt dat zowel de Nederlandse overheid als de banken het onrecht uit het verleden willen goedmaken. Er doemt echter een reëel probleem op omdat het collectief van joodse organisaties, dat zich in de onderhandelingen met overheid en banken heeft opgeworpen als representatieve gesprekspartner, spreekbuis en belangenbehartiger, tot dusver te weinig of geen inbreng van gedupeerde, niet tot die organisaties behorende, individuele belanghebbenden heeft gevraagd.

Het vrijgeven van tegoeden van joodse holocaust-overlevenden en/of nabestaanden door overheid en banken aan joodse instanties vóór en aleer een acceptabele verdeling van dit geld is vastgesteld, zal gegarandeerd tot grote onrust leiden en wellicht tot beslagleggingen door mensen die zich benadeeld voelen. Het zal een weinig fraai beeld te zien geven van belanghebbenden, die elkaar het recht op een deel van het geld betwisten. Teneinde al deze commotie zo veel mogelijk te vermijden, is het geboden dat overheid en banken zelf, dus voor het geld ter beschikking wordt gesteld, een actief beleid gaan voeren teneinde diegenen op te sporen die menen dat ze aanspraak kunnen maken op indertijd van hen, of van hun ouders, gestolen bezittingen. Aan de hand van die gegevens kan, eventueel in overleg met joodse organisaties die reeds lang met dit probleem worstelen, een voorstel tot verdeling worden gemaakt. Tot algehele tevredenheid zal dit niet leiden, maar het is een poging waard.

De verwachting is gerechtvaardigd dat alle verifieerbare claims tezamen het geld dat ter beschikking komt niet in zijn geheel zullen opeisen, omdat immers de meeste slachtoffers niet meer in leven zijn. Daar komt nog bij dat het soms moeilijk zal blijken te bewijzen dat men aanspraak kan maken op een deel van het geld. Het is dus zaak allereerst aan alle in leven zijnde rechtstreekse belanghebbenden het, door de Duitsers gestolen, geld terug te geven dat de Staat en de banken zich na de oorlog onrechtmatig hadden toegeëigend. Het geld dat daarna overblijft, zou kunnen worden verdeeld over alle overlevende Holocaust-slachtoffers of hun kinderen. Ten slotte kan men bezien of er bepaalde noodlijdende doelen zijn, waarbij ik in de eerste plaats denk aan oorlogswezen in Israel, waaraan dat geld zou kunnen worden besteed. Vast en voorop staat echter dat de individuele betrokken rechthebbenden zelf een doorslaggevende stem moeten krijgen bij de verdeling van het geld. Immers, het gaat om bezit dat van hen gestolen is.