Het geheim van intimiteit

Soms kan iets heel gewoons ineens heel aardig en persoonlijk klinken. In Griekenland zeggen ze `já soe' ter begroeting of afscheid, wat letterlijk vertaald `gezondheid voor jou' zou betekenen. Je hoort het de hele dag, je zegt het vaak (of `já sas' `gezondheid voor u' of `voor jullie') en het betekent niets meer dan `dag'. Maar een enkele keer, als iemand het vriendelijk zegt en je erbij aan kijkt, of als een oude man het tegen een kindje zegt, of een vrouw tegen haar man, dan gaat dat `soe' bedoeld klinken. Jij, ja, jij. Gezondheid voor jou.

Dag jij heet een bundel van Hugo Claus. Misschien is er niet veel intiemers dan `jij', een ik die tegen een jij spreekt, er is tenslotte altijd maar één jij tijdens dat spreken, op de hele wereld maar één. Dat de taal dat kan. In Herman Gorters gedichten licht dat allergewoonste woordje `jij' soms op als iets bijzonder intiems: `Hè, ik wou jij was de lucht/ dat ik je ademen kon'.

Wat is intimiteit dan eigenlijk? Misschien hangt het wel samen met `jij' – dat je het gevoel hebt dat wat er tegen je gezegd wordt alleen voor jou is bedoeld. Of dat je zelf iets zegt dat alleen gericht is tegen degene met wie je praat. Niet omdat het geheim is, daar gaat het niet om, maar op het moment dat het gezegd wordt, is het voor niemand anders bedoeld. Iemand zei eens, jaren geleden, nadat ze tot haar verbazing had geconstateerd dat ze op een partijtje eigenlijk een heel intiem gesprek had gevoerd met iemand die ze niet kende, en haar werd gevraagd wat daar dan zo intiem aan was geweest: ,,Dat alles wat je zegt, zoals je het zegt, nieuw is.'' Dat lijkt me nog steeds de beste definitie van intimiteit. Niet dat iemand verhalen vertelt die hij nog nooit aan een ander heeft verteld, dan is het gauw uit met de intimiteit, want alles laat zich maar één keer voor het eerst vertellen. Maar bijna alles kan zo gezegd worden dat het voor het eerst is, zo dat degene die praat weer de betekenis voelt van wat hij zegt, dat de woorden de enige goede zijn, dat ze gevuld zijn met de sensaties en betekenissen die ze geacht worden over te dragen, alsof het voor het eerst is dat deze woorden in deze samenstelling de mond verlaten. Daardoor kunnen de gewoonste dingen persoonlijk worden. En als die nieuwheid achterwege blijft, worden de persoonlijkste dingen onintiem. Ook bij intimiteit draait het blijkbaar weer, net als bij eigenlijk alles, om de details.

In rouwadvertenties doet zich dat probleem vaak pijnlijk duidelijk voor. `Onze allerliefste', `mijn liefste', `mijn lieve man' – zeg zulke dingen tegen iemand en ze zijn intiem, zet ze in de krant en de betekenis lekt uit ze weg waar je bij staat. Hoe komt dat nu. Door het gebrek aan context? Door de openbaarheid? Door het ontbreken van een stem? Dat laatste denk ik, al wordt het dan tautologisch: een persoonlijke stem maakt iets persoonlijk. Maar gebrek aan context speelt zeker ook een rol, want context geeft de details die dat ene leven los zetten van alle andere levens.

Dat probleem, dat het persoonlijke zich zo moeilijk als iets persoonlijks laat formuleren, wordt niet voor niets vaak opgelost door de poëzie te hulp te roepen. Daar kan het persoonlijke algemeen worden, openbaar, en toch zijn kracht niet verliezen. Eén van de ontroerendste gedichten over de rouw na het sterven van de geliefde vind ik nog altijd dat van Constantijn Huygens na de dood van zijn vrouw Suzanne van Baerle, ook `Sterre' genoemd. Als er één dichter is die moeilijk beticht kan worden van het spontaan opschrijven van wat hem maar in de gedachten komt, dan is het wel Huygens met zijn gestileerdheid, woordspel, raadselplezier, elegantie. En ook dit gedicht is geen eenvoudige, of ogenschijnlijk eenvoudige, gevoelsuitstorting. Het is zo aangrijpend als een eenvoudige klacht maar moeilijk zou kunnen zijn. Het begint met een vraag als in verwarring gesteld: `Of droom ik, en is 't nacht, en is mijn Ster verdwenen? / Ik waak, en 't is hoog dag, en zie mijn Sterre niet'. De `ik' vraagt waar ze zijn kan, zijn Sterre, beweert dat de hemel antwoord geeft en zegt dat ze daar is `in 't heilige gebied, waar zij de Godheid, waar de Godheid haar beziet'. De dichter noemt zijn wenen `ijdel', futiel, zinloos, verlangt te sterven, en eindigt dan met regels die ruim 360 jaar later nog steeds de lezer omver kegelen:

`k Verlang in 't eeuwig licht te zamen te zien zweven

mijn heil, mijn lief, mijn lijf, mijn God, mijn Ster en mij.

Is dat nu persoonlijk en intiem? In geen enkel opzicht: het is openbaar, gekunsteld, bedacht voor de wereld - maar toch. We hebben Suzanne van Baerle niet gekend, Huygens ook niet en toch is deze rouw aangrijpend en die van de nu levende onbekenden die machteloos een paar woorden kiezen in de krant niet. Voor kunst geldt blijkbaar niet wat voor de alledaagse persoonlijke omgang wel geldt: dat het het beste is om iets te zeggen zoals men het echt voelt. Kunst kan wat wij vaak maar moeilijk kunnen, iets zeggen dat het echtste gevoel lijkt weer te geven en dat daarom raakt, vaak meer dan het ongestileerde, echte gevoel zelf. Dankzij de vorm, niet ondanks.

Misschien hoort het wel tot de moeilijkste dingen, om iets persoonlijks en intiems te zeggen. Stilering helpt daarbij, het is makkelijker iets tegen iemand te zeggen door hem of haar een gedicht op te sturen, menig dichter heeft betere woorden gevonden dan men zelf zo een twee drie bij de hand heeft, maar toch is dat niet erg intiem. En het is ook makkelijker om iets prijzends te zeggen in een toespraak dan oog in oog met niemand erbij, maar ook dat is wel minder intiem. Toch lijkt het of steeds meer mensen hun toevlucht zoeken tot de openbare weg. Ze nemen een televisieploeg mee als ze hun excuses gaan aanbieden. Ze houden een optocht als ze meeleven willen uitdrukken. Ze vertellen aan een tijdschrift bij een naaktfoto van hun man waarom ze hem zo fantastisch vinden - `ik vind zijn lichaam gewoon perfect'. Ze zetten in de krant `We zullen je missen'. Of, nog bevreemdender, `We laten A, B en C niet in de steek', of direct tot een nabestaande gericht `We staan om je heen, A'. Daar lijkt elke intimiteit wel zoek. Wie wil er nu in een advertentie lezen dat haar vrienden aan haar denken als ze ook zouden kunnen bellen, komen, schrijven? Of geeft deze openbare weg aan dat zelfs het eenvoudigste nauwelijks meer echt en persoonlijk gezegd kan worden, dat men dergelijke zinnen, tederheden, beloftes er alleen nog maar uit krijgt als ze `officieel', in de structuur van een blad, een programma, een advertentie gezegd kunnen worden? Raadselachtige beweringen zijn het, die advertenties. Zelfs een beetje treurigstemmend. Zou het hele begrip intimiteit zoek raken? Soms lijkt dat wel zo te zijn. Alsof het niets meer betekent. Alsof een bewering die in de krant gezet is meer kracht heeft dan een die gewoon maar van oor tot oor gedaan is. Of zou het zo zijn dat men steeds meer de onmacht van zijn taal en uitdrukkingsmogelijkheden voelt, het versletene ervan, is iedereen te postmodern geworden om nog zonder ironie de gewoonste dingen te kunnen zeggen. Een vereniging tot behoud van intimiteit zou vermoedelijk haar doel meteen al voorbij schieten. Heel veel individuele verenigingen dan. Die allemaal woekeren met de allergewoonste woorden, allergewoonst gezegd, allerechtst gevoeld. `Jij'. En niemand anders.