Een gewone dag in het paradijs

Gastschrijver Moses Isegawa bezocht gisteren Ajax-Heerenveen, een kerkdienst voor de moderne mens. `Voetbal is een pret-drug, haast net zoiets als ecstasy of heroïne, en de gelovigen hunkeren naar de roes die de overwinning geeft.'

Zoals de meeste ultramoderne voetbaltempels op de wereld is de Amsterdam Arena gebouwd naar het voorbeeld van het Romeinse Colosseum, hoewel hij van beneden gezien ook wel iets heeft van een vliegende schotel. De rauwe adem van de harde commercie hangt erover als de adem van een hydra, ten teken dat de sport in de loop der jaren is veranderd. Voetbal is niet zomaar voetbal meer, een arbeiderssport beoefend door halfnaakte mannen; het is verheven tot de status van een godsdienst, en zo is er een machtige subcultuur ontstaan die haar leden werft vanaf het moment dat ze uit de luiers komen. Daarbij wordt de laaiende fakkel van de hartstocht en toewijding doorgegeven door vaders en grootvaders, uit de stamtrouw zich in het zwaaien met de clubkleuren en vindt de verstokte aanhang het koppensnellen van de tegenstander niet te ver gaan. Het is een subcultuur waarin de gebeurtenissen op het veld grote gevolgen hebben voor het leven van de gelovigen.

Een bezoek aan een stadion is door dit alles een ernstig ritueel, niet alleen omdat in de loop der jaren de toegangsprijs enorm is gestegen, maar ook omdat het bijna zoiets is als wierook branden of een spiritistische seance, of dicht komt bij een amicale omgang met de goden die met het clubgeld zijn gekocht. Dit ritueel wordt des te indringender doordat de Arena op stalen poten staat en de gelovigen eerst een reeks trappen op moeten voordat ze de binnenwereld betreden. Toen ik die trappen op ging dacht ik telkens aan de invaliden die zich in de hoop op een magische genezing naar Lourdes slepen.

Binnen voelde het of ik werd neergelaten in een bathysfeer, naar een afgesloten wereld waarin mensen aten en dronken en zich ontspanden. De afbeeldingen van de goden uit heden en verleden blonken aan de muren de gelovigen tegemoet als brandende zwaarden en deden hen delen in de macht der traditie, de kracht van de club, de vreugde te behoren tot deze winnende brigade. Imago is alles, sex-appeal de smeerolie die voetbal en commercie verbindt, succes de Heilige Graal die clubs doet groeien en carrières maakt of breekt. De camera is tegenwoordig een beitel die stukjes van de sterren afhakt en ze in de kwijlende mond van de gelovigen legt. De aandacht voor de spelers – ook privé – neemt toe naarmate de jacht op hapjes om de horden volgelingen mee te voeden – hoe schandaliger en persoonlijker, hoe beter – ontaardt in een verwoede strijd waarin geen middel wordt geschuwd.

Het huwelijk tussen het voetbal en het grote zakendoen slaat je tegemoet vanaf het ogenblik dat je de buik van de Arena binnenkomt totdat je er weer uitgaat. Reclameborden draaien blinkend als een kip aan het spit of de kont van een stripteasedanseres, en wenken de gelovigen om toch vooral maar te gaan kopen en zo toe te treden tot de groep die de kleren draagt die de goden dragen, in de auto rijdt waarin de goden rijden, puistjes bestrijdt met de huidcrème die de goden gebruiken, het ondergoed aan heeft waarmee de goden 90 minuten lang hun geslachtsdelen op hun plaats houden. Hetzelfde merk gebruiken als je sterspeler is tenslotte bijna goddelijk in deze areligieuze tijden, waarin de goden geen oude mannen met baarden en drie anussen zijn die in de hemel wonen, maar tweebenige wezens met één anus net als u en ik.

Er kwam een oorlogssfeer over de Arena toen de hekken opengingen en de gelovigen in alle maten en soorten binnenmarcheerden, met een blikje bier in de hand of kauwgom in de wang, in een geur van knoflook, reukwater, zweet, bier, tabak. De gelovigen drongen naar binnen als stieren die zich in een telefooncel persten, met ego's gezwollen als walvissen, een honger geslepen als een slagersmes, borrelende vaten adrenaline en testosteron, frustraties over vrouw, werk, kinderen en klaar voor de crematie-oven van die 90 minuten spel, en het was makkelijk te zien waarom er zoveel kunnen teren op één wedstrijd. Voetbal is een pret-drug, haast net zoiets als ecstasy of heroïne, en de gelovigen hunkeren naar de roes die de overwinning geeft of de hoop het de volgende keer beter te doen als ze verliezen. De volgende shot kan tenslotte wel weer twee weken of een maand op zich laten wachten.

Het beste dat de Arena te bieden heeft is de sfeer: die was geladen, ook al speelde Ajax `maar' tegen Heerenveen. In de buik van dat colosseum of die vliegende schotel of walvis bestaat een fantastische akoestiek, waardoor de geluidswal die ontstaat door de trommelaars, het gefluit, het boegeroep, de ooh's en aah' en uuh's van de gelovigen je trommelvliezen teistert als het gebulder van een vliegtuig. Dat geluidsmonster stortte zich op het veld en verhief de spelers, vooral in de eerste helft, toen het voetbal nogal slaapverwekkend was en Ajax leek te spelen met stramme benen en het hoofd in de wolken. Hoewel het gezucht en de aah's en ooh's van de aanhang hen streelden als gretige minnaars, was het spel maar matig. Heerenveen deed het beter.

Pas in de tweede helft veranderde de zaak en leek de emotie van de aanhang zodanig op de zenuwcentra en de hersenen van de spelers te worden overgebracht dat ze bezoekers gingen overheersen. Ze kwamen in de tweede helft zelfs uit de spelerstunnel het veld op als uitgehongerde leeuwen die hun eerste maaltijd in veertien dagen onder ogen kregen. Ze presteerden als huurlingen, huurmoordenaars, opgezweept tot een manisch niveau om te presteren, zich te bewijzen, te vermaken. Het waren geen reclamepoppen meer maar doelpuntenmachines of onderdelen van een doelpuntenmachine. Dat was het doorslaggevende gedeelte, want op het veld verzamelen de spelers, de goden, het sterrenstof dat ze later sprenkelen over de koopwaar die ze aanprijzen, de handtekeningen die ze uitdelen, de interviews die ze geven voor het oog van de camera. Dat was het moment om op je best te zijn, want de AEX-beleggers keken dreigend, de spelersmakelaars fronsten het voorhoofd, de coaches waren nijdig, de media loerden, de gelovigen hapten naar adem, de televisiecamera's verzwolgen gulzig elke beweging die ze maakten. Miljoenen waren thuis aan hun tv-scherm gekluisterd, en elk belangrijk of bijna belangrijk moment werd nog eens vertraagd afgespeeld en weken-, maanden-, jarenlang in hun hersenen gegrift. Een gemist doelpunt kan de bloeddruk opjagen, hartruis geven, maagzweren laten bloeden, foetussen in hun vruchtwater doen trappelen. Door een beslissend doelpunt treed je toe tot exclusieve club van helden wier roem nog straalt als ze allang niet meer spelen.

Tijdens de saaie delen van de wedstrijd vroeg ik me af hoeveel van de spelers die ik voor me zag het komend jaar nog dezelfde clubkleuren zullen dragen. De verhuizing van spelers van de ene club naar de andere, van land naar land, met de ophef en de bedragen die ermee gemoeid zijn, lijkt haast wel een millenniumprobleem. Terwijl het millennium op sterven na dood is lijkt die handel een hoogtepunt te bereiken. De goden-spelers kunnen worden gekocht en verkocht als koeien of honden, zij het wel dure koeien of honden. Er bestaat geen heiligheid in voetballand, waar de clubtrouw is vervlogen toen de sport de pakkendragers van de beurs in de armen sloot. De sport laat zich gedwee de onbesneden penetratie van de commercie welgevallen, en de enkeling die een tegenstem verheft lijkt alleen maar aller orgasme te bederven. En het is onredelijk de goden-spelers te verwijten dat ze die smakelijke offers niet weerstaan, want een werkman heeft tenslotte recht op zijn loon. En geen club die zichzelf respecteert kan de aanvechting weerstaan de gelederen te versterken met de allerbesten. Wie zich zorgen maakt over de oude waarden en de boodschap voor de nieuwe generatie, zal moeten slikken en met honger naar bed gaan. Goden-spelers zijn nooit aartsbisschoppen geweest, ze zijn geen zedenprekers en dansen gewoon op het ritme van de man met de grootste trom.

Terwijl ik keek naar de club die spelers als Cruijff, Van Basten, Rijkaard en natuurlijk Kluivert naar de uithoeken van voetballand heeft geëxporteerd, vroeg ik me af waarom het spel niets uitstraalde. Kreunden de huidige spelers onder de last van een zo beladen verleden? Schoot de coach te kort? Waren de gloriedagen voorbij? Of was de malaise een tijdelijke zaak? Ik kreeg niet al te veel antwoorden, want ik was niet naar de tempel gekomen voor diepte-interviews maar om naar één wedstrijd te kijken.

Ik zat lekker en liet het allemaal over me heen komen, en bekeek de bezeten gelovigen die op en neer deinden alsof ze hun spelers wilden aanmoedigen door ze letterlijk aan hun haren te trekken. Ik zag weinig mensen met blauw haar en een veiligheidsspeld door hun neus. Ik zag wel heel wat kantoortypes in een mooi pak, die me deden denken aan de kerkgangers van weleer. Ik kreeg de indruk dat het voetbal agressief zijn werkmanskleren afschudt en zijn weg zoekt naar de middenklasse, en zo'n glans van overdaad krijgt die alleen voortkomt uit diepe zakken.

Als er veel sociale spanning was dan heb ik daar niets van gemerkt. Iedereen leek zich vooral te willen vermaken, en de zo individualistische Nederlanders leken bij uitzondering eens verenigd: ze riepen met dezelfde longen, brulden met dezelfde stem, deden hun best om iets gezamenlijks te maken van de seance, het branden van de wierook. Sport is de soap van mannen. Ajax-Heerenveen was niet het meest verheven sportieve hoogtepunt, maar er was dan ook nog meer dan voetbal. Er was ook nog de Grote Prijs van Hongarije, en het PGA-golftoernooi waar Tiger Woods aan de leiding ging. Het was een gewone dag in het paradijs.

Vertaling Rien Verhoef