Vrijheid te koop

John Eibner weet zeker dat hij goeddoet door slaven vrij te kopen in Zuid-Soedan. Critici zeggen dat hij daarmee de mensenhandel juist in stand houdt. `Jullie zijn vrij!'

Zo'n zeshonderd gitzwarte vrouwen en kinderen zitten dicht opeengepakt in de schaduw van een grote boom, ergens in de hete binnenlanden van Zuid-Soedan. De meesten zijn in stoffige lompen gehuld, blootsvoets. Een enkeling heeft helemaal niets om het lijf. Ze luisteren aandachtig naar de blanke man die vandaag als redder in hun leven is verschenen.

,,Jullie zijn nu vrij. Je kunt terug naar je dorp, naar je familie, je vrienden. We hopen dat jullie nooit meer worden geroofd en tot slaaf worden gemaakt. Dat jullie voortaan in vrede kunnen leven.''

John Eibner, een gelovige Amerikaan met het uiterlijk van Donald Sutherland, heeft zojuist 33,3 miljoen Soedanese ponden (33.300 dollar) betaald aan twee handelaren die hen in het noorden van Soedan hebben opgekocht en naar het zuiden gesmokkeld. Eibner heeft de vrijheid teruggekocht voor deze vrouwen en kinderen die door gearabiseerde milities uit hun dorpen waren ontvoerd en vaak jarenlang gevangen waren gehouden – als huisslaaf, als plantageslaaf, als concubine.

Slavernij is een van de meest in het oog springende gevolgen van de eindeloze burgeroorlog die dit grootste Afrikaanse land nu al decennia in zijn greep houdt. Een burgeroorlog die de laatste vijftien jaar bijna twee miljoen slachtoffers maakte en vier miljoen ontheemden. Een oorlog tussen, simpel gezegd, het islamitische en Arabische noorden (sinds 1989 geregeerd door een fundamentalistische moslimregering die de islamitische staat proclameert), en het christelijke en animistische zwarte zuiden, gedomineerd door het Sudanese People's Liberation Army (SPLA) en andere elkaar bestrijdende facties.

Mannen te paard

Enkele van de vrouwen en kinderen die zojuist hun slavernij met klinkende munt in vrijheid zagen omgezet, vertellen op verzoek van Eibner schuchter hun belevenissen. De verhalen vertonen een gemeenschappelijk patroon van roof, moord, verkrachting, van een barre voettocht naar het noorden, verkoop aan een nieuwe baas en zware arbeid in huis of op het land, van bruut geweld en gedwongen islamisering.

Het relaas van Agou Tsjan Thokloi is even uniek als exemplarisch. Agou is een rijzige vrouw van een jaar of 25, met lange armen en sierlijke vingers. Een van haar twee kinderen, hij is een jaar of twee, lurkt aan haar schrale borsten. Het andere zit aan haar voeten en speelt met insecten.

Agou is twee jaar geleden geroofd, vertelt ze met zachte stem. Vreemde gewapende mannen te paard kwamen haar dorp binnendringen. Zes van hen kwamen haar hut in. ,,Mijn man vluchtte maar werd neergeschoten en stierf onder mijn ogen. Ik werd verkracht.'' Met haar polsen gebonden aan een touw waar tien andere vrouwen aan waren geketend, moest ze naar het noorden lopen, zegt ze. Zes dagen achtereen. ,,Ik was hoogzwanger en werd elke dag verkracht.'' Een van de gevangenen die probeerde te vluchten werd voor de ogen van de anderen bruut afgemaakt, als voorbeeld. ,,Vijf mannen sprongen met stokken, messen en zwaarden bovenop hem. Een bijlslag in zijn hoofd werd hem fataal.''

Aangekomen in het dorp Sitef, waar Agou beviel van haar tweede kind, werd ze verkocht aan Zenab. ,,Ik weet niet voor hoeveel, maar ik heb ze wèl het geld zien tellen.'' Zenab was een rijke vrouw, getrouwd maar zonder kinderen. Ze had nog zes andere slaven. Agou moest het huishouden doen. Ze sliep samen met haar kinderen in een hoekje van de keuken, op de grond. Het enige wat ze te eten kreeg waren de restjes van de maaltijd van de meesteres, vertelt ze. ,,Soms sloeg Zenab me, met een stok. Ze dreigde me te doden. Ze riep `Ik heb je gekocht, ik kan je zo vermoorden zonder dat iemand daar om geeft'.''

Op een goede dag verkocht Zenab haar aan een andere Arabier, vertelt Agou. Ze wijst naar de kleine man met witte tulband die iets verderop in de schaduw van een struik het geld zit na te tellen dat John Eibner hem zojuist voor de slaven heeft betaald. Agou was aanvankelijk bang voor haar nieuwe meester. Hij nam haar mee naar het zuiden, samen met andere slaven die hij her en der opkocht. Ze reisden eerst 's nachts. Na een paar dagen werd haar verteld dat ze op weg waren naar de vrijheid. En vandaag, na twee maanden wachten in de buurt van haar dorp, heeft John Eibner haar en haar twee kinderen vrijgekocht voor omgerekend vijftig dollar per persoon – de prijs van twee à drie schapen.

Eibner heeft een missie. Een omstreden missie. Hij werkt voor Christian Solidarity International (CSI) in Zürich, een in 1977 door de Zwitserse dominee Stückelberger opgerichte christelijke mensenrechtenorganisatie die het opneemt voor geloofsgenoten in verdrukking. Hij vliegt nu al vijf jaar elke twee maanden van het hoofdkantoor van CSI in het comfortabele Zürich naar de hete vlaktes van de provincie Bahr el Ghazal in het zuiden van Soedan om slaven vrij te kopen – Dinka's, de grootste etnische groep in het land.

Hoe meer slaven hij vrijkoopt, hoe harder de kritiek op het werk van CSI. Aanvankelijk bevrijdde Eibner per expeditie enkele tientallen vrouwen en kinderen. Hij wist er van begin af aan de wereldpers mee te halen en slaagde er zo in slavernij in Soedan onder de aandacht van de wereldgemeenschap te brengen. Inmiddels koopt hij er per reis meer dan duizend, tweeduizend vrij en loopt het totale aantal vrijgekochte slaven op tot boven de elfduizend.

De regering in Khartoum, ondertekenaar van internationale verdragen tegen dwangarbeid en slavernij, is woedend. Maar ook UNICEF heeft zich onlangs nadrukkelijk van CSI gedistantieerd. ,,Slaven bevrijden door cash te betalen aan hun veroveraars helpt weinig om de slavernij in Soedan te beëindigen'', verklaarde internationaal directeur Carol Bellamy eerder dit jaar. De oplossing ligt volgens haar niet in vrijkoop maar in vrede. ,,En dat is lang niet zo eenvoudig als geld werven'' (voor de vrijkoop van slaven).

Ook in eigen kring groeit de kritiek. CSI-Amerika, dat zich evenals een aantal andere landenkantoren afscheidde en zelfstandig doorging onder de naam Christian Freedom International (CFI), is genadeloos in zijn veroordeling. James Jacobson van CFI, die zelf na een paar bevrijdingsacties in Soedan de eigen expedities onlangs stopzette, beweert dat de massale vrijkoop de slavenhandel alleen maar in de hand werkt. Dat het de roof van vrouwen en kinderen stimuleert. Dat het corruptie in de hand werkt. ,,John Eibner heeft met name in het begin heel goed werk gedaan, maar door de enorme omvang die het vrijkopen van slaven het afgelopen driekwart jaar heeft aangenomen, wakkert CSI nu de slave economy alleen maar aan'', aldus Jacobson.

Met een klein gecharterd vliegtuigje vertrekt de delegatie van CSI in alle vroegte vanaf Jomo Kenyatta Airport in Nairobi naar Zuid-Soedan. Naast John Eibner, zijn collega Gunnar Wiebalck en enkele journalisten, vliegen ook enkele vooraanstaande Zuid-Soedanezen mee van de bevrijdingsorganisatie SPLA. Op het vliegveldje van de Keniaans-Soenadese grensplaats Lokichoggio staan grote, dikbuikige, witte vliegtuigen van het World Food Program van de VN her en der in het stof geparkeerd. Wachtend op een nieuwe ronde voedseldroppings in Zuid-Soedan, dat vorig jaar opnieuw door hongersnood werd getroffen.

Korte tijd later landt het toestel op een stoffige roodbruine strook grond in SPLA-gebied. Het landschap is er vlak, met struikgewas en her en der een boom. De felle zon stampt op het hoofd. Tientallen nieuwsgierigen omstuwen het vliegtuig. Lange, kaarsrechte mensen, diepzwart van kleur. In sjofele kleren, soms in blote bast, op blote voeten. Een fietser met een kalasjnikov over de schouder steekt de landingsbaan over.

Het gezelschap slaat de tenten op in een speciaal voor CSI ingerichte compound: een rieten schutting om een boom met laag hangende takken. Zelf meegenomen blikjes tonijn en gedroogd fruit vormen het diner. De dorpelingen keuvelen bij de waterpomp.

Aan het einde van de avond komt de commissaris van de provincie het gezelschap welkom heten. Victor Akok Anei, een kleine man met cowboyhoed, zonnebril en grijzend ringbaardje, vertelt in gebroken Engels dat het SPLA dit jaar redelijk succesvol is in de verdediging tegen de overvallers die de trein als uitvalsbasis gebruiken.

De trein doorkruist een paar keer per jaar Bahr el Ghazal van noord naar zuid. Stapvoets, begeleid door paarden en manschappen van de Popular Defense Force, het schaduwleger van de islamitische regering in Khartoum, en door agressieve milities van de Baggara, de gearabiseerde nomadenstammen die ten noorden van Bahr el Ghazal leven. Volgens het SPLA worden zij sinds jaren door Khartoum aangezet om op rooftocht te gaan in het christelijke zwarte zuiden.

Kilo's papiergeld

's Middags vindt de eerste bevrijdingsactie plaats. Driehonderdnegentig slaven – vrouwen en kinderen – wachten dicht opeengepakt in de schaduw van een boom op de delegatie van CSI. Als John Eibner de groep nadert verstomt het geroezemoes. ,,We zijn gestuurd door mensen van over de hele wereld die van jullie houden, die ons geld hebben gegeven om jullie vrij te kopen, zodat je terug kunt naar je huis, naar je familie.''

De slaven lopen in een lange rij voor de videocamera van Gunnar Wiebalck langs en roepen een voor een hun naam als ze pal voor het oog van de lens staan. Een lange rij ellende schuifelt de camera voorbij. Eluel Rual Deng verloor haar echtgenoot tijdens de overval op hun dorp, verloor halverwege de reis naar het noorden drie van haar vijf kinderen uit het zicht, en baarde een kind van haar meester Mohammed dat al na een maand overleed. Ayuin Anji Deng verloor twee van haar kinderen tijdens de gedwongen zeven dagen en nachten durende voettocht naar het noorden en raakte haar twee andere kinderen kwijt toen ze in Tubun aan een nieuwe meester werd verkocht, lid van de Popular Defense Force.

John Eibner heeft zich inmiddels bij de vier handelaren gevoegd die de vrouwen en kinderen in het noorden hebben opgekocht en naar het zuiden hebben gebracht. De mannen zitten in een kringetje op de grond, op steenworp afstand van de slaven onder de boom. Hun gezichten zijn met hoofddoeken afgeschermd om herkenning te voorkomen. ,,Ze doen gevaarlijk werk'', legt John Eibner uit. ,,In het noorden lopen ze risico's. Ze doen het om humanitaire redenen.''

Geheel belangeloos lijkt hun werk echter niet. In een land waar de meeste mensen van minder dan één dollar per dag moeten rondkomen, is de vijftig dollar die CSI per slaaf betaalt een klein fortuin. Hoeveel ze aan deze handel verdienen willen ze niet zeggen.

Uit de grote canvas plunjezak die hij voortdurend met zich meezeult haalt Eibner dikke stapels papiergeld tevoorschijn – en hij telt. De vier handelaren volgen de telling nauwgezet. Kilo's papiergeld. Een van de mannen stopt de stapels in een lege rugzak. Ze passen er amper in. Eibner schudt de mannen ernstig de hand en bedankt ze voor `het gevaarlijke werk' dat ze doen. Dan stapt hij op de groep slaven af: ,,Jullie zijn vrij!''

De volgende ochtend maakt een aantal intellectuele Dinka's dat heeft gediend onder het islamitische regime in Khartoum zijn opwachting bij het basiskamp van CSI. Toonbeelden van het dilemma van succesvolle zuiderlingen in dienst van de vijand. Kuol Athian Mawien, een statige man van halverwege de vijftig in donkergroen tenue, was laatstelijk deelstaatminister van Landbouw in de door Khartoum gecontroleerde stad Aweil in Bahr el Ghazal. Hij heeft daar de slaven zien komen en gaan. ,,Ze werden als vee op de trein gezet.'' Twee van zijn eigen broers lieten het leven, elf neven en nichten werden als slaaf meegenomen. Maar zelfs als minister kon hij er niets tegen doen, zegt hij. ,,Ik was een gevangene van het regime in Khartoum.'' Bij een overval van het SPLA op Aweil begin vorig jaar kon hij vluchten naar het gebied van de bevrijdingsbeweging. Daar is hij nu adviseur van de commissaris van de provincie.

Handelaar Ibrahima, een gezette man met witblauwe tulband en donkere zonnebril, zegt al drie jaar slaven in het noorden op te kopen. Eerst voor lokale chiefs, later voor CSI. De chiefs betaalden in natura, in koeien. CSI in geld. ,,Cash is beter dan koeien'', zegt hij. ,,Je krijgt de slaven tegenwoordig vooral vrij door geld te bieden.'' Hij koopt de slaven vaak van Arabieren die er eigenlijk van af willen, vertelt hij. Slaven die de Arabieren al een paar jaar in bezit hebben, die lastig zijn, die oud of ziek zijn – slaven over wie de eigenaar niet zo tevreden meer is. ,,Maar ze verkopen ze aan ons voor een hoge prijs.''

De Arabieren verkopen hun afgedankte slaven vaak in de wetenschap dat de trein uit het zuiden straks weer een verse lading slaven zal binnenbrengen die ze vaak voor een gunstige prijs kunnen krijgen, aldus Ibrahima. ,,Als de trein aankomt vragen ze `hoeveel nikkers hebben jullie dit keer bij je'.''

Vicieuze cirkel

De uitleg van Ibrahima wekt de indruk dat CSI ongewild deel is geworden van een vicieuze cirkel van slavenhandel. Sommige verhalen van slaven bevatten bovendien tegenstrijdigheden. Zoals de lotgevallen van Hassan, een jochie van een jaar of acht. Eerst vertelt hij dat hij zijn Arabische meester, zijn vader, is ontvlucht omdat die hem bijna had doodgeslagen toen hij een van de kamelen was kwijtgeraakt waarop hij moest passen. Later zegt hij dat hij door de Arabische handelaar is vrijgekocht en dat zijn meester niet zijn vader was.

Zouden de Dinka's en de gearabiseerde handelaren samenspannen en kinderen en vrouwen als slaven laten opdraven om zo CSI geld te kunnen afhandig maken? John Eibner zoekt naar verklaringen voor de inconsistenties. De vertalers maken fouten, de slaven zijn getraumatiseerd, de kinderen voelen zich geïntimideerd. ,,Wij vertrouwen op de lokale gemeenschappen die dit organiseren. We kunnen en we willen niet anders.''

De vrijkoop van de slaven is een uitvloeisel van een lokaal vredesakkoord tussen Dinka's en gearabiseerde handelaren die baat hebben bij rust in Bahr el Ghazal. De vrijkoop wordt voorbereid door beide groepen. Eibner gelooft niet in misleiding. ,,Dan had iedereen, van hoog tot laag, betrokken moeten zijn bij een samenzwering tegen ons. Dat kan ik me niet voorstellen.''

Tegen de avond is het gezelschap te gast bij de commissaris van de provincie. Achter het lemen kantoortje met rieten dak palavert men over het al of niet bestaan van de vicieuze cirkel van slavenhandel. En over effectieve verdediging van Zuid-Soedan als het enig afdoende antwoord op de slavenhandel.

In de jongste fase van de burgeroorlog (vanaf 1983) werd de eeuwenoude praktijk van slavernij en slavenhandel nieuw leven ingeblazen – met name door het fundamentalistische bewind in Khartoum. ,,Ze zullen blijven doorgaan met het roven van onze vrouwen en kinderen zolang wij rebelleren, zolang wij ons niet tot de islam bekeren'', klinkt het verontwaardigd in het gezelschap van de commissaris. De mannen zijn het unaniem eens over de oplossing: grotere autonomie voor het zuiden. En zolang die er niet is, blijft CSI noodzakelijk, besluit de commissaris.

Onder de blote sterrenhemel nuttigt het gezelschap het avondmaal, staande aan een langgerekte tafel. Schapenvlees met brood. Daarna volgt mierzoete thee en lokale whisky, geschonken uit een plastic olieblik. John Eibner onthult zijn gezelschap dat de regering er alles aan doet om CSI het land uit te krijgen. ,,Dat betekent zelfmoordaanslagen van moslimfundamentalisten op het hoofdkantoor in Zurich'', merkt iemand op. ,,Jezus werd ook gedood omdat hij de waarheid verkondigde'', constateert de commissaris bemoedigend

De volgende dag maakt men zich op voor vertrek per vliegtuig naar een nieuwe bevrijdingsactie. Het invliegende toestel brengt voedsel en medicijnen van CSI. Er duiken meer militairen op dan gebruikelijk. Een ontwikkelingswerker van Tearfund, die zelf op de stoffige landingsbaan zijn eigen vliegtuigje staat in te laden, betoont zich kritisch over CSI. ,,Ze bevoorraden het leger'', hij wijst naar de zakken graan en de dozen medicijnen die uit het CSI-vliegtuig komen. ,,Dat noemt zich een christelijke organisatie! NGO's behoren neutraal te blijven in een oorlog.''

Gunnar Wiebalck, bij CSI verantwoordelijk voor de logistiek van de hulp, weet niet precies hoeveel van de medicijnen en voedselhulp van CSI bij het SPLA-leger terechtkomt. ,,Dat controleren we niet. De Barmhartige Samaritaan vroeg toch ook niet naar de achtergrond van degene die hij hulp verleende?''

Het dorp Akoc, locatie voor de volgende bevrijdingsactie, toont de sporen van zware aanvallen, de laatste van 26 maart. Tweeëneenhalf duizend man milities waren bij de aanval betrokken, op drie dorpen in de omgeving, vertellen de overlevenden. Alleen al in Akoc vielen 83 burgerslachtoffers en 18 doden onder de SPLA-strijders. Achthonderd vrouwen en kinderen werden meegenomen. Vijfentwintig overvallers en negen van hun paarden verloren het leven. ,,Hun lijken hebben we laten liggen voor de hyena's.''

De allerlaatste bevrijdingsactie van deze expeditie, op drie uur lopen afstand van Akoc, vindt onder grote druk plaats. De bevrijders hebben haast. Het vliegtuigje dat hen terug naar de beschaving zal brengen komt er al aan als John Eibner nog bezig is met het tellen van het geld voor de handelaren. Het toestel cirkelt ter verwelkoming eenmaal boven de groep slaven. Eibner rekent snel af.

De omvang die de bevrijdingsacties hebben aangenomen lijkt de tweekoppige CSI-delegatie inderdaad boven het hoofd te zijn gegroeid, hoe zuiver hun bedoelingen ook zijn. Maar dat CSI de slavenhandel stimuleert, blijft feitelijk onbewezen, dat er grootscheepse fraude in het spel is eveneens. Terug in Nairobi pareert Eibner de kritiek op zijn organisatie met het gelijk van de overwinnaar: ,,Belangrijk is dat we het onderwerp slavernij op de internationale agenda hebben weten te krijgen en te houden.''