VERGRIJZING

In de bijlage W&O van 10 juli staat in een stuk van A.W.M. Gerrits (`Verlaat dit pand onmiddellijk') onder andere iets over de `eenzijdige en ongezonde' leeftijdsopbouw van de wetenschappelijke staf van de Nederlandse universiteiten. Over het ontstaan daarvan: ``De grote aantallen docenten die in de eerste helft van de jaren zeventig zijn binnengehaald combineren uitstekende arbeidsvoorwaarden met een ijzersterke rechtspositie. Ze bijven zitten waar ze zitten. Velen zijn te oud, te beperkt en te verwend om nog elders aan de slag te komen (als ze dat al zouden willen).''

Die ongunstige leeftijdopbouw, bekend als `de vergrijzing', wordt geadstrueerd aan de hand van een paar voorbeelden bij de Universiteit van Amsterdam. Maar die gelden niet algemeen, en zelfs is het zo, dat bij de meeste faculteiten in Nederland (ook bij de UvA) vermoedelijk zo langzamerhand een eind aan komt aan die vergrijzing.

De verklaring van die vergrijzing is niet meer dan het gebruikelijke cliché. Een veel grotere rol dan het destijds `binnenhalen' van inmiddels verwend geraakte docenten speelt het starre hiërarchische systeem van de Nederlandse universiteiten. Dat systeem definieert een hoogleraar de facto als ``een groot geleerde met een `groep, die bestaat uit ten minste twee minder grote geleerden met een vaste aanstelling (een universitair docent en een universitair hoofddocent is het ideaal), en een heel stel aankomende geleerden (minstens twee postdocs en minstens vier promovendi)''.

In dat systeem wordt een vertrekkende oudere hoogleraar niet zo gemakkelijk opgevolgd door een jongere opvolger: die moet in de eerste plaats `passen in het leerstoelenplan', oftewel: die `nieuwe' (met z'n `oude groep') moet geen financiële bedreiging vormen voor de nog zittende hoogleraren met hun `groepen'. Dat maakt opvolging door een jonger iemand op zichzelf al tot iets moeizaams - soms kiest men dan ook voor `een andere oplossing': niet opvolgen.

Terecht of ten onrechte wordt een vertrekkende hoogleraar meestal niet opgevolgd door `zijn' universitaire hoofddocent, laat staan door `zijn' universitaire docent, hoe goed in hun vak ze ook mogen zijn. Die blijven dan inderdaad zitten waar ze zitten. Noodgedwongen: ze zijn net even te oud, en dus net even te duur, geworden om in een bedrijf warm onthaald te worden, waar hun geringe leidinggevende ervaring ook nog eens tegen ze pleit. Ook de weg naar een hoogleraarsplaats elders is voor die medewerkers vrijwel afgesloten: het pleit immers tegen ze, dat ze het in de sollicitatieprocedure hebben afgelegd tegen `iemand van buiten'.

Naast het probleem, dat ook hier de groep postdocs groeit zonder perspectief op een vaste baan, kon dàt wel eens het grootste probleem van de Nederlandse universiteiten worden: een staf van gefrustreerde `professorabelen' die geen professor kunnen worden.