VATBAARHEID VOOR MENINGITIS IS GENETISCH BEPAALD

Een veelvoorkomende variant van een gen (polymorfisme) voor een eiwit dat een rol speelt bij het oplossen van bloedstolsels, blijkt bij patiënten met een bloedvergiftiging (sepsis) of hersenvliesontsteking door meningokokkenbacteriën beslissend te zijn over leven of dood. De variant is alleen van belang voor wie de ziekte al heeft. De kans om de meningokokkenziekte op te lopen wordt door het polymorfisme niet veranderd.

Onderzoeksgroepen van het Sophia Kinderziekenhuis van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam en het St. Mary's Hospital in Londen berekenden de invloed van het polymorfisme op het ziektebeloop. Onderzoekers van interne geneeskunde van het Leids Universiatir Medisch Centrum en TNO Preventieve Geneeskunde in Leiden deden dat ook in minder detail. Zij maakten vooral duidelijk dat het polymorfisme geen invloed heeft op het krijgen van meningokokkenziekte (The Lancet, 14 augustus).

Een infectie van meningokokken (meestal Neisseria menigitidis) in de bloedbaan leidt tot hersenvliesontsteking of tot sepsis. Hersenvliesontsteking is een ziekte die vooral kinderen treft. Het is een ziekte die als een onschuldig griepje begint maar binnen één of twee dagen tot de dood kan leiden. Bij hersenvliesontsteking trekt een kind zijn hoofd achterover, vandaar de oude naam nekkramp. De dood wordt echter vaker veroorzaakt door sepsis. De gifstoffen van in de bloedbaan binnengedrongen bacteriën veroorzaken dan zo'n massale afweerreactie dat de bloedvaten verwijden en lekken, de organen onvoldoende zuurstof krijgen en overal bloedstolseltjes ontstaan die op de huid als rood-paarse vlekjes zichtbaar worden.

Het gen voor plasminogeenactivatorremmer-1 (PAI-1) bevat in het DNA-gedeelte waarmee de aflezing van het gen wordt gereguleerd een polymorfisme waarbij één basepaar afwezig (4G) of aanwezig (5G) is. Het polymorfisme is functioneel. In respons op de ontstekingsregulator interleukine-1-bèta wordt bijvoorbeeld een 4G-gen zesmaal zo vaak afgelezen als een 5G-gen. In de westerse bevolking heeft 26% van de mensen twee 4G-kopieën, 54% is van het 4G/5G-genotype en 20% heeft 5G/5G. Het is dus moeilijk te zeggen wat het `normale' gen is, en welk gen `afwijkend'. Kinderen met twee kopieën van het 4G (4G/4G-genotype) die een meningokokkeninfectie krijgen, ontwikkelen vaker sepsis en hebben een tweemaal zo grote kans daar aan te sterven als kinderen met het 4G/5G- of het 5G/5G-genotype.

Nu dit eenmaal is vastgesteld valt te begrijpen hoe dat komt. Plasminogeenactivatorremmer hindert de werking van een eiwit dat bevordert dat bloedstolsels oplossen. Een patiënt waarbij de kleine bloedvaatjes massaal bloedstollinkjes bevatten heeft geen baat bij de overvloedige aanmaak van een eiwit dat het oplossen van bloedstollingen tegen gaat.

(Wim Köhler)