Trieste indianenverhalen

De Nederlandse antropoloog Harald Prins speelt als getuige-expert een sleutelrol in een rechtszaak die Mi'kmaq-indianen hebben aangespannen tegen de Canadese staat. De indianen eisen 17.000 vierkante kilometer van Newfoundland.

Fascinatie voor indianen heeft de Nederlandse antropoloog Harald Prins altijd gehad. De kleine Prins zat vaak met z'n neus in de boeken van Karl May en legde hele lijsten aan van de indiaanse kretologie die in de boeken voorkwam. Na verloop van tijd ging hij zelfs geloven dat hij een geadopteerd indianenkindje was. Hij noemde zichzelf Akim. ,,Ik had als enige in de familie bruine ogen en een donkere huid.'' Bij zijn broers en zussen waren blond en blauw de overheersende kleuren, vertelt Prins in de tuin van zijn ouderlijk huis in Glimmen.

Jaren later zou Prins tijdens een nachtelijke Sessie van Cheyenne-indianen, waarbij de hallucinerende peyote-cactus wordt genuttigd, in een visioen terugkeren naar zijn tipi in Glimmen. ,,Al mijn jongensdromen komen uit'', zegt hij nu. Zijn donkere huid, zijn ringbaard en het golvende grijze haar geven Prins ironisch genoeg het uiterlijk van een conquistador, de Spaanse zestiende-eeuwse veroveraar die in Latijns Amerika symbool is geworden voor de onderwerping van de machtige indianenrijken.

In zekere zin is hij ook echt een `veroveraar'. Prins, die studeerde in Nijmegen en nu hoogleraar is aan de Universiteit van Kansas, is sinds kort getuigedeskundige in een rechtszaak, waarin de Mi'kmaq, een indianenstam in het oosten van Canada, zeventienduizend vierkante kilometer claimt van Newfoundland, het eiland aan de Canadese oostkust. Wie is die Nederlander uit Kansas die ons de les over landrechten komt lezen, zou de Canadese rechter onlangs hebben uitgeroepen toen hij kennismaakte met Prins. De kans dat de Mi'kmaq slagen in hun opzet is groot, want Prins heeft dit kunstje eerder voor elkaar gekregen.

In 1981 belandde Prins na omzwervingen door Latijns Amerika in de Verenigde Staten, waar hij door twee stammen, de Maliseet en de Mi'kmaq, voor 150 gulden per week werd ingehuurd als director of research and development, een mooie titel, maar in de praktijk betekende het dat Prins bovenal geacht werd brieven te schrijven om geld binnen te halen. De indianen, die normaliter buitenstaanders wantrouwen, zagen Prins wel zitten. Omdat hij een accent had, omdat hij geen Amerikaan was, omdat hij lang haar had – en omdat ze weinig geld aan hem kwijt waren. Hij sliep in die tijd op zijn bureau, de grond was te tochtig.

Wat Prins aantrof was, in zijn eigen woorden, ,,een zwaar verminkt lichaam dat op sterven na dood is''. Vooral de Mi'kmaq waren er slecht aan toe. Deze indianenstam is onderverdeeld in een twintigtal clans, die op één na in Canada wonen. Die ene, de Aroostook-clan, woont vlak over de Canadese grens in Maine (boven New York) in een gebied waar overwegend Maliseet-indianen wonen. Deze `Amerikaanse' Mi'kmaq konden, in tegenstelling tot de Maliseet, lange tijd geen aanspraak maken op landrechten of op Amerikaanse overheidsfondsen. Volgens de redenering van de Amerikaanse overheid hoorden ze niet in de VS thuis, maar bij de rest van de stam in Canada.

,,Ik zag hoe slecht ze behandeld werden door blanke bureaucraten. Er was veel onrecht. Als zoiets in Argentinië gebeurt, kijk niemand daarvan op. Maar het gebeurde in de VS. De Amerikanen zijn de grootste prekers als het gaat om mensenrechten, maar deze indianen behandelen ze als `smerige immigranten' die waren `verdwaald' op Amerikaans grondgebied.''

Briefje van duizend

Een briefje van duizend dollar zou dit alles uiteindelijk veranderen. Het geld was afkomstig van een joodse filantrope die Prins al in 1978 een volledige beurs had gegeven om te kunnen studeren aan de New School for Social Research in New York. De vrouw trakteerde elk jaar een Nederlandse student op zo'n beurs, ,,omdat Nederland zo goed was geweest voor de joden in de Tweede Wereldoorlog''. Ze had lucht gekregen van het nieuwste `project' van Prins en besloot de Nederlander een steuntje in de rug te geven.

Prins stapte met het geld naar de indianen en zei: ,,We kunnen morgen allemaal hoofdpijn hebben of we kunnen iets doen waarvan jullie kinderen in de toekomst profijt zullen hebben.'' De Mi'kmaq kozen voor het laatste. Met de duizend dollar maakte Prins een filmpje over het mandenvlechten, een ambacht dat de Mi'kmaq goed beheersen. ,,Ik ben sterk visueel ingesteld'', zegt Prins, die tijdens zijn verblijf in New York een cursus speelfilms maken had gevolgd. Het filmpje werd een groot succes. ,,Met die tien minuten beeld hebben we vijftigduizend gulden aan fondsen binnengehaald.'' Met dat geld maakte hij in 1985 de lange film `Our lives in our hands'. Daarna werden de Mi'kmaq opeens uitgenodigd voor spreekbeurten over hun leefwijze, cultuur en geschiedenis. Bovendien schoten de prijzen van de manden omhoog.

Intussen was Prins begonnen aan een uitgebreid antropologisch en historisch onderzoek, waarmee hij wilde aantonen dat de Mi'kmaq geen `anomalie' in het Amerikaanse landschap waren, zoals Washington beweerde. De Amerikaanse overheid werd gesteund door het wetenschappelijke establishment dat al jaren de indianenstammen in Noord-Amerika als `gesloten' etnische groepen beschouwde. Kortom: de Aroostook moesten maar terugkeren naar hun eigen etnische groep, de Mi'kmaq in Canada.

,,Aangezien er over de Aroostook zelf weinig historische documenten waren, begon ik te schrijven over andere gebieden die ook zogenaamde `anomalieën' hadden. En uiteindelijk bleek alles een anomalie.'' Zijn conclusie luidde dan ook dat de indianenstammen in Noord-Amerika en Canada geen gesloten etnische groepen waren, maar juist multi-etnisch. Ze trouwden veel onderling en waren als jagers verspreid geraakt over een gebied waar de Amerikanen en Canadezen ooit een willekeurige grens doorheen hadden getrokken. Het resultaat van zijn onderzoek verscheen in 1996 in het boek The Mi'kmaq. Resistance, Accommodation and Cultural Survival, de eerste serieuze studie naar deze stam.

Basiskamp

In 1992 wisten Prins en een aantal vertegenwoordigers van de Mi'kmaq de senatoren in Washington ervan te overtuigen dat de Aroostook ten onrechte geen land hadden gekregen, omdat er ten tijde van de landverdeling onder de stammen simpelweg geen onderzoek over de Mi'kmaq voorhanden was. Een rechtszaak kon zo worden voorkomen. De Mi'kmaq kregen een `basiskamp' van 2.500 hectare en ontvangen nu jaarlijks 6,5 miljoen dollar aan overheidsfondsen.

,,Een journalist vroeg me destijds of dat niet een beetje veel geld was voor een clan van amper duizend indianen en of ze het geld niet verkeerd zouden gaan beheren of misbruiken. Ik antwoordde: `They have the right to fuck up.' Iedereen in deze samenleving heeft het recht om er een zooitje van te maken. Bovendien gaat het om land en om een bestaanswijze die van de Aroostook is afgenomen.''

Sinds kort treedt Prins op als getuigedeskundige in een zaak die `Canadese' Mi'kmaq hebben aangespannen tegen Canada. De eis is zeventienduizend vierkante kilometer op Newfoundland. De Mi'kmaq in Canada – ruim twintigduizend mensen – hebben weliswaar een reservaat gekregen (,,van vier vierkante kilometer''), maar ze duiden het niets voor niets aan met het Mi'kmaq-woord voor `te klein'.

De Canadese regering probeert aan te tonen dat de Mi'kmaq historisch gezien niet thuishoren op Newfoundland, net zoals de Amerikaanse overheid dat probeerde met de Aroostook. Volgens Canada behoort het eiland toe aan de Beothuk-indianenstam. ,,Het is heel gemakkelijk om over Beothuk-rechten te praten'', zegt Prins, ,,want ze zijn in 1830 uitgestorven.'' Bovendien blijkt uit historische documenten van de katholieke geestelijken dat Newfoundland wel degelijk tot het leefgebied van de Mi'kmaq behoort. In het zuiden van het eiland hebben clans van de indianenstam gewoond. Bovendien geldt hier ook: de indianen maken deel uit van multi-etnische groepen.

Indianenfederatie

Indiaanse leiders uit de Verenigde Staten en Canada zijn vorige maand bijeengekomen in het Canadese Vancouver om uiting te geven aan deze onderlinge verbondenheid. Doel van de indianen uit beide landen is samenwerking bij het behoud van hun cultuur en leefwijze, maar ook het herstel van de indianenfederatie zoals die begin negentiende eeuw kortstondig bestond rondom de Grote Meren. In de negentiende eeuw werden de vage grenzen tussen de VS en Canada `verhard'. De nieuwe grenzen liepen dwars door de oude indianenconfederaties heen. Daarvoor in de plaats kwam een afhankelijkheidsrelatie per – losse – stam met het grotere land tot stand.

De hernieuwde samenwerking tussen indianenstammen vindt Prins een belangrijke ontwikkeling. Want veel `indianengebieden', waar de landsgrenzen soms dwars doorheen lopen, zijn regelrechte vrijhavens voor de smokkel van drank en sigaretten. ,,Maar ook mensensmokkel. Veel Chinezen worden via indianenreservaten vanuit Canada naar de VS gesmokkeld.'' Dat kan doordat in de reservaten andere regels gelden dan daarbuiten. Zo hebben de indianen het recht op vrije overgang tussen de Amerikaanse en Canadese grens. Door de samenwerking tussen stammen kan smokkel in die gebieden een halt worden toegeroepen.

De `indianenverhalen' uit zijn jeugd heeft Prins al lang losgelaten. Van het Karl May-concept bleek weinig te kloppen. ,,Sterker nog, wat ik aantrof was volstrekt aromantisch. De indianen waren landloos, verarmd en zonder identiteit. Het meest opmerkelijke is dat de indianen er nog steeds zijn, ondanks de vernietiging van hun cultuur.''