TOENAME RECTIFICATIES IN WETENSCHAPPELIJKE TIJDSCHRIFTEN

Steeds vaker zien wetenschappers zich gedwongen na publicatie van hun resultaten een rectificatie te plaatsen om gemaakte fouten recht te zetten. Dat blijkt uit een analyse van Bradford Hawkins van de University of California in Irvine (Nature, 5 augustus 1999). Hij bekeek de jaargangen van een `toonaangevend internationaal tijdschrift' over een periode van 1960 tot 1997 en turfde hoeveel artikelen ten minste één fout bevatte. Daartoe maakte hij niet alleen gebruik van de errata, maar bijvoorbeeld ook van de brievenrubriek, waarin of de auteurs zelf of hun collega's gemaakte uitglijders melden. Voor elk jaar bepaalde hij een foutenindex, door het aantal `rectificaties' te delen door het totaal aantal gepubliceerde artikelen. In 80 procent van de gevallen was hij bovendien in staat te bepalen of de fout was veroorzaakt door de onderzoekers of door de redacteuren van het tijdschrift.

Vooral sinds 1995 blijkt er een sterke toename te zijn opgetreden in de foutenindex, tot bijna 10 procent in 1997. Dat betekent natuurlijk niet dat ook 10 procent van het gepubliceerde onderzoek verkeerd was. Eenderde van de gemaakte fouten beschouwt Hawkins namelijk als triviaal, zoals drukfouten, die nauwelijks van belang zijn voor de interpretatie van het artikel. Voor de overige tweederde is dat wél het geval. Het betreft hier technische fouten (bijvoorbeeld in wiskundige vergelijkingen, scheikundige formules, onderschriften of zelfs interpretaties van resultaten) en schendingen van de wetenschappelijke etiquette, zoals het `vergeten' van referenties of het onterecht claimen van prioriteit. Slechts in `extreme gevallen' leidde de fout tot het intrekken van gedeelten van een artikel of van het volledige artikel, aldus Hawkins, die daar verder geen details over geeft.

De schending van de wetenschappelijke etiquette blijkt in de onderzochte periode nauwelijks toegenomen. Blijkbaar zijn de meeste onderzoekers nog altijd goed in staat de literatuur op hun vakgebied bij te houden en houden ze daar keurig rekening mee wanneer ze hun eigen resultaten opschrijven. De toename in de andere twee categorieën (triviale en technische fouten) is volgens Hawkins hoofdzakelijk een gevolg van de sterk toegenomen druk op wetenschappers om te publiceren (`publish or perish'). Maar ook referees en redacteuren hebben minder tijd en zijn daardoor minder nauwgezet. Daarbij is wetenschappelijk onderzoek veel complexer dan vroeger, zodat fouten pas na publicatie aan de dag treden.

Als deze trend zich voortzet, kan dat op het eerste gezicht nadelige gevolgen hebben voor de vooruitgang van de wetenschap. Er mag echter niet worden vergeten dat het overgrote deel van alle gepubliceerde artikelen niet voor de eeuwigheid is geschreven, omdat er nu eenmaal niet of nauwelijks naar wordt verwezen. Van echt belangrijke resultaten is meestal direct duidelijk of ze juist zijn. Of dat ook geldt voor de door Hawkins onderzochte artikelen is onbekend, omdat hij niets zegt over het belang of de impact van elk artikel en ook de naam van het tijdschrift geheim houdt.

(Rob van den Berg)