King of Comedy

Rupert Pupkin is op het eerste gezicht een rare man. Hij is een praatjesmaker en een fantast, en voortdurend gooit hij met zijn gedram zijn eigen glazen in. Als zijn gesprekspartner hem allang zijn zin heeft gegeven, om maar van hem af te zijn, blijft Rupert nog tijdenlang dóórpraten. Hij heeft, kortom, een enorm bord voor zijn kop. Zijn obsessie is dat hij een gevierd komiek wil worden, en daar heeft hij alles voor over.

The King of Comedy, met Robert de Niro als de ongelooflijk geloofwaardige hoofdpersoon, is geen komedie, hoewel de verwikkelingen soms lonken naar de satire. En dat verklaart misschien ook waarom de film in Amerika flopte: veel te zwartgallig, lang niet luchtig genoeg.

Uiterlijk onbewogen, bijna spanningsloos registrerend, doet regisseur Martin Scorsese verslag van de wijze waarop Rupert binnendringt in de hiërarchie van de dagelijkse late nite show – het genre waarin tegenwoordig types als Letterman en Leno gloriëren.

Hier wordt die rol vertolkt door Jerry Lewis, als de geharde toppresentator die van ongeduld zijn levenshouding heeft gemaakt. Ik heb hem, de aartskomiek, nog nooit zo voortreffelijk zien spelen als in deze film, waarin hij niet grappig hoeft te zijn.

Het verhaal, geschreven door Paul D. Zimmerman, wordt niet alleen verteld in de realistisch ogende beelden van de werkelijkheid, maar ook in overgestileerde fantasiescènes waarvan er naar mijn smaak best een beetje minder hadden kunnen zijn – we snappen immers gauw genoeg wat Rupert drijft. Eén keer wil hij beroemd geweest zijn, koste wat het kost.

De intrige is tot het uiterste doorgedreven, want Rupert Pupkin weet van geen ophouden. Met het pistool op de slaap wordt de presentator er tenslotte toe gedwongen om de aankomende komiek een kans te geven. En zodra het nieuws over die overval bekend wordt, groeit Rupert uit tot een ster – want zo gaat dat tegenwoordig. Niet alleen in Amerika trouwens.

The King of Comedy (Martin Scorsese, VS, 1983), zaterdag, Net5, 22.20-0.15u.