HITGOLF 8: ZOMERKLEDING

De zomer heeft niet alleen zijn eigen hits, maar is ook het meest bezongen seizoen in de popmuziek. Hitgolf 8: zomerkleding.

Iedereen draagt ze, de modebladen staan er vol mee, en geen vakantiekoffer kan zonder: zomerkleren. Maar wie dacht dat luchtige jurkjes en korte broeken dus een bron van inspiratie voor hitmakers zouden zijn, komt bedrogen uit. Popmusici tooien zich graag met de namen van zomerse kledingstukken – The Shorts, The Shirts en The Casuals zijn die eerste die bij me opkomen – maar hullen zich al veertig jaar praktisch in stilzwijgen waar het odes aan de zomermode betreft. Hun interesse gaat eerder uit naar wat zich onder de sexy kleding bevindt, van `Tigerfeet' tot `The Arms Of Mary'. De al lang vergeten Jermaine Stewart gold dan ook als een excentriekeling toen hij in 1986 de toptien haalde met `We Don't Have To Take Our Clothes Off (To Have A Good Time)'.

Helemaal ongevoelig voor haute couture is de popmuziek trouwens niet. Zo zong Carl Perkins over blauw-suède schoenen en Dr Hook over het sprekende denim van zijn geliefde, terwijl Bobby Vinton (`Blue Velvet'), The Big Bopper (`Chantilly Lace') en The Velvet Underground (`Venus In Furs') nog chiquere stoffen tot onderwerp van hun liedjes kozen. Maar met de zomer heeft dat allemaal weinig te maken. De hitparade moet het doen met een handjevol verwijzingen, naar nauwelijks tot de verbeelding sprekende accessoires (`Sunglasses' van Tracey Ullman) of naar het onelegantste kledingstuk dat ooit is uitgevonden: de halflange broek. Met het onvindbare plaatje `Yes I Do Like Your Bermuda' haalde de Nederlandse groep Los Alegres in 1977 de 27ste plaats van de Top-40; ik kan me er niets van herinneren, en dat is waarschijnlijk maar beter ook.

Eigenlijk zijn er maar twee singletjes die aanspraak maken op de titel Zomerkledinghit van het Millennium. In James Browns `Hot Pants', uitgebracht in 1971, is alle aandacht gericht op het korte strakke vrouwenbroekje dat door Mary Quant een jaar eerder was gelanceerd. Niettemin, als je goed naar het typisch browneske funknummer luistert, dan blijkt dat de hotpants van de zomer zijn losgezongen: ze worden niet op het strand of in het park gedragen, maar op de dansvloer, waar ze zelfs bij een buitentemperatuur van min tien het gewenste effect zouden sorteren. In de woorden van James Brown: `She got to use what she got to get what she wants.'

Blijft over: `Itsy Bitsy Teenie Weenie Yellow Polkadot Bikini', een evergreen die sinds de jaren zestig is gezongen door onder anderen Paul Hanford, Jan & Kjeld, Catherina Valente (als `Honolulu Strand Bikini') en Albert West. Maar de zanger die er zijn hele leven mee is geassocieerd, heet Brian Hyland. Op zestienjarige leeftijd, in de zomer van 1960, zong hij het liedje over de piepkleine gele bikini naar de top van de hitparade, waarna hij decennia lang probeerde een vergelijkbare hit te scoren. Zelfs met `Ginny Come Lately' en `Sealed With A Kiss' zou hem dat niet lukken.

Laat hem zijn zegeningen tellen: `Itsy Bitsy...' is een pronkstuk in de etalage van de zomerpop en een monument duurzamer dan brons. Drie simpele coupletten en een aanstekelijk refrein vertellen hoe een meisje zich op het strand niet in haar nieuwe, gele bikini durft te vertonen. Eerst weigert ze om uit het kleedhokje te komen: `she was as nervous as she could be'. Dan komt ze naar buiten met een deken om zich heen: `and so she sat bundled up on the shore'. En als ze eenmaal de zee is in gerend, wil ze er niet meer uit komen: `and the poor little girl's turning blue'.

Deze laatste regel suggereert dat het meisje nog heel jong is; dat het liedje niet gaat over een seksbom die haar nieuwe zwempakje een maat te krap heeft gekocht en nu bang is dat het door geile pubers van haar lijf wordt gerukt; en ook niet over een twintiger met vetrolletjes die tot de ontdekking komt dat geel met zwarte stippen niet bepaald slank afkleedt. `Itsy Bitsy...' bezingt gewoon een onzeker kind, dat zich nog geweldig kan schamen over helemaal niets. Tenminste, zo heeft tekstschrijver Paul Vance, eind jaren vijftig vader van een verlegen meisje, het bedoeld.

Met goedmoedig commentaar wordt het minidrama in `Itsy Bitsy' licht gehouden. `Go on girl, go on', spoort een achtergrondkoortje het meisje bij het begin van het liedje aan, en de zanger krijgt steeds te horen: `two, three four, tell the people what she wore'. Hylands liedje klinkt als de monterheid in een notendop. Het is dan ook een staaltje van malicieuze ironie dat het door regisseur Billy Wilder werd gebruikt in zijn Koude-Oorlogkomedie One, Two, Three (1962): als muzikale marteling waarmee je zelfs de hardste spionnen aan het praten krijgt.