Goud

Uit het archief van onze krant wilde ik de recente berichten over de Lutine hebben. Onze krant heeft uitstekende archivarissen. Dit is een goede gelegenheid om eens in het openbaar te melden hoe sterk een krant afhankelijk kan zijn van het samenspel tussen archief en redactie. Eén keer veroorloof ik me voetbalbeeldspraak: het archief zet voor, de redactie scoort en krijgt het applaus. Deze keer trof ik de jongste archivaris. ,,Juist'', zei ze. ,,Lutine, hoe spel je dat?'' Dat was weer op een andere manier informatief.

Het was 1933. Voor jongens van zes een boeiend jaar. Ook op die leeftijd voel je dat de Untergang des Abendlandes in de lucht zit. Je maakt het op uit de toon van de gesprekken tussen de grote mensen. Maar voor mij was het, achteraf bezien, vooral het jaar van de Lutinetoren, de fascinerende plaatjes in de krant van een bouwsel met behulp waarvan de goudstaven uit het schip zouden worden gehaald. De toren interesseerde me meer dan het goud. Op een dwarsdoorsnede was te zien hoe iemand op de zeebodem stond en een goudstaaf opraapte. Nu lees ik dat die man Frans Beckers heette en dat het met zijn toren niets geworden is.

Eerst nog iets over het goud. Er bestaan films van de Goldrush. Een paar honderd haveloze mannen (misschien niet haveloos, maar op films uit die tijd zien de meesten er zo uit), staan beladen met delversgereedschap op het startschot te wachten. Het schot valt en ze rennen de woestenij in om hun gebied af te grenzen. Dan – misschien is dat al een andere film, een speelfilm – zijn ze aan het `goud wassen'. Ze spoelen goudhoudend zand door een zeef, de goudkorrels blijven liggen: stofgoud. Een enkele keer vindt een goudzoeker een nugget, een klompje goud. Hij is rijk, op de film straalt hij waanzin uit. Moord en doodslag volgen. De filmencyclopedie geeft 29 titels die met Gold beginnen. De grootste bekende nugget, gevonden in Victoria, woog 2,520 Britse ounces. Deze nugget heeft een naam gekregen, de Welcome Stranger. Er was niet speciaal naar gedolven. Hij werd ontdekt in een karrenspoor. Je zou erbij geweest willen zijn.

Er is een soort mensen dat van goud een ander mens wordt. Ik had een vriendje die voor zijn tiende verjaardag een gouden tientje kreeg. Het lag in een doosje op donkerpaars fluweel. Het bezit had hem superieur gemaakt. Als je met dit besef van goud was opgegroeid begreep je al niet waarom Piet Hein zoveel moeite had gedaan voor de Zilvervloot. Toen Colijn de gouden standaard losliet, kreeg ik de indruk dat het met Nederland gedaan was. Een goede vriend, een mensenkenner, heeft eens een employee voor 25 jaar trouwe dienst met een klompje goud beloond. Intussen ken ik het geheim van niet rijk worden. Je moet slecht kunnen rekenen en geen belangstelling voor goud hebben.

Goud is voor mij: Colijn, Fort Knox en de Lutine. Het werd 1938. De tinbaggermolen Karimata zou door de krachtigste sleepboot ter wereld, de Zwarte Zee, naar Banka en Billiton worden gesleept. (Terwijl ik dit schrijf denk ik: er zijn lezers, zelfs al ouder dan vijftig, die er niets meer van begrijpen). Maar voor de Karimata naar de Oost ging, zou er goud worden gebaggerd. Er verschenen weer tekeningen in de krant, schematische voorstellingen en veel foto's van de Karimata zelf, een prachtige baggermolen. Er werd veel boven water gebracht, hout, kommaliewant, spijkers, vooral veel spijkers. Hoe meer ik er over las, hoe groter mijn begeren naar een spijker.

Ik schreef een brief naar het hoofd van de goudbaggeraars, ingenieur H. Bol. Een week later kwam er een brief uit Terschelling. Er zat iets hards in. `Hierbij ingesloten tref je een spijker van de Lutine aan. Als je onder de kop kijkt, zul je daar het teken van de hanenpoot zien. Dit is het bewijs dat het een spijker van de Lutine is.' Zo was het: onder de kop stond het teken van de hanenpoot. Ik vond het ook een mooi woord, hanenpoot.

En nu weer: de Lutine. Het achterschip is gevonden, het is waarschijnlijk `doorgestuiterd'. Op de film zien we hoe het daar ligt, in het troebel water dat het al tweehonderd jaar omspoelt. En nu zal het eindelijk zover zijn, want het is niet uitgesloten dat in het achterschip het goud ligt, de nuggets in het onderzeese karrenspoor. Wie nu zes is, raad ik aan een brief naar de hoofdingenieur van de duikers te schrijven.