Gelukzoekers

De vrouw van Willem Doffer fokt waterbuffels in Mooroopna, Australië. Ik heb haar niet met de dieren bezig gezien, integendeel: terwijl ze me in haar eigen taal – een vreemd mengsel van Drents Nederlands en Australisch Engels – de bijzonderheden van het fokken vertelt, zit ze op de veranda de zoom van een laken te borduren en toont me trots de roesjes die ze de dag ervoor aan de sprei en slopen heeft genaaid. Haar lusteloze buffels drentelen in het vergeelde weiland achter het huis. Uit een van de schuren klinkt het geschaaf en gezaag van haar man die van afgebroken takken wandelstokken maakt. Hoog in de eucalyptusbomen schateren vrijelijk de kookaburra's, maar elk heel uur komt uit de koekoeksklok in de keuken de houten vogel met een ander deuntje; twaalf deuntjes houden voor de Doffers al sinds jaar en dag de tijd in bedwang.

In 1951 zijn ze uit Nederland vertrokken. Hij was turfsteker geweest in de streek rond Hoogeveen en had daarna in Indonesië gevochten, zij had op hem gewacht en was bereid hem naar waar dan ook te volgen. Maar in de Noordoostpolder ging het al fout. Hij raakte slaags met de andere landarbeiders, met zichzelf, met het gezag. Hij deugde niet meer voor armoe en ondergeschiktheid. Hij deugde niet meer voor het Nederlanderschap.

Ze hebben er drie erbarmelijke dagen en nachten over gedaan om met de Flying Dutchman, waarvan in Mooroopna een foto aan de muur hangt, naar Sidney te vliegen. Vandaar reed een stoomtrein hen door een landschap van wasemende gombomen naar een opvangkamp waarin honderden gelukzoekers op een huis en werk wachtten, op een eenvoudig huis, op nederig werk, op de onderste sport van een ladder die tot in de hemel leek te reiken.

De vrouw van Willem Doffer heeft een lange weg afgelegd om haar merkwaardige innerlijke evenwicht te bereiken. De combinatie van waterbuffels en geborduurde lakens is haar niet komen aanwaaien. Terwijl Willem – Bill – zich op boerderijen als knecht verhuurde, naar water en ertsen boorde, tegen ongedierte vocht, hield zij zwijgend stand en bracht kinderen groot.

Ze onderbreekt haar verhaal, werpt een blik op de buffellijven waarvan zij en alleen zij de geheimen kent en gaat me voor naar de pronkkamer die vol staat met Delfts blauw, ingelijste rivierlandschappen, poppetjes op klompen, tulpen waarin een lamp brandt. Ze loopt gebogen. Ze mompelt dat ze geen heimwee naar Drenthe of de Noordoostpolder heeft gehad, ze maakt het goed hier, waar ter wereld kan een vrouw van haar leeftijd nog buffels fokken en onverschillig zijn voor hoe erover haar wordt gedacht, wat erover haar wordt gezegd? Alleen in Australië. In Australië doet een vrouw wat ze wil.

Ook de Schotse kapper die in de Indian-Pacifictrein van Perth naar Adelaide aan de bar hangt, heeft, vertelt hij me, zijn geluk in dit land gevonden. Hij kan gaan rentenieren na een leven van knippen en manicuren in de brandende zon. Hij heeft zijn heil altijd in de omgeving van goud- en zilvermijnen gezocht: Kalgoorlie, Waukaringa, Broken Hill, of dieper het continent in, op plekken die nu spooksteden zijn. Hij is steeds achter het grote geld aangetrokken, hij reed in het kielzog van de karavanen van avonturiers, kooplui, mijningenieurs.

Niemand heeft zoveel mensenkennis opgedaan als ik, zegt hij. Hij weet waar het in het leven om draait want mannen en vrouwen van alle nationaliteiten en alle rangen en standen hebben in de meest barre omstandigheden hun hart bij hem uitgestort en hij heeft vrijwel belangeloos geluisterd, vragen gesteld, geheimen als een gouddelver naar de oppervlakte gehaald en schoongespoeld. Ik heb als geen ander, zegt hij, terwijl de Indian Pacific steeds wilder schudt omdat ook bielzen te lijden hebben van hitte, het innerlijk leven van de mens in kaart kunnen brengen; ik heb geluk gehad. Hij heeft geluk gehad, ik geloof hem, ik geloof dat zwervende kappers dieper in zielen kunnen kijken dan menig psychiater vanuit zijn pluchen stoel. Hij heeft in de absolute verlatenheid de hoofden van misdadigers en slachtoffers, bedriegers en bedrogenen, hoeren en huismoeders, verliefden en verlatenen in zijn handen gehouden en mooi gemaakt om verder te leven, overeind te blijven, een nieuwe slag te slaan. Hij weet waar het menselijk bestaan om draait. Maar hij geeft geen antwoord, hij glimlacht alleen als ik hem in alle ernst vraag of hij mij, in de verlatenheid tussen Perth en Adelaide, deelgenoot van zijn wijsheid maakt.

De schapenhoeder van Kolgarin fietste 35 jaar geleden met mij mee naar school, maar toen hij volwassen werd, heeft de angst voor de Russen hem naar de andere kant van de aarde gedreven. Met de hulp van zijn Kelpie-honden houdt hij duizenden schapen bijeen, als een wervelend rad verplaatsen de kuddes zich over de steenkleurige steppe in de richting van water of struikgewas zonder dat ook maar één schaap afdwaalt. Hebben zijn kuddes hem geluk gebracht? Niet de kuddes, zegt hij, maar de afwezigheid van Russen: Australië is een land waar nooit een bom zal vallen en nooit oorlog komt.

En de twee Macedonische goudzoekers hebben in de weilanden van een veeboerderij in Rushworth een kistje metalen voorwerpen bij elkaar gegraven. Het liefst werken ze bij volle maan of in de vroege ochtendzon. Maar als ze in de greep van mogelijk geluk zijn, omdat ze in de koptelefoon, die met een wichelroede op de grond is verbonden, hoge tonen horen, graven ze de godganselijke dag door. Ze zijn al jaren een goudader op het spoor die als gevolg van een aardverschuiving grillig door Rushworth loopt

De twee zijn volle neven, samen hopen ze de hele familie uit Skopje de rijkdom binnen te graven, maar vooralsnog hebben ze met de opgegraven trouwringen en munten alleen ziekenhuisrekeningen, een bruiloft en schoolgeld betaald. In een van de weilanden schenken ze mij hun vertrouwen en een minuscuul klompje goud dat ook koper kan zijn. Na uren stilte laten ze me in hun koptelefoon een hoge toon horen die jammer genoeg wegsterft, later een dof gebrom dat waarschijnlijk op een verzonken hoefijzer wijst. Toch beginnen ze verwoed in de harde grond te graven. Als ik in de lach schiet, kijken ze op: hoefijzers brengen geluk. Natuurlijk, hoefijzers brengen geluk, waar ter wereld dan ook; hoe kon ik, dochter van een hoefsmid, dat vergeten. En hoe kon ik vergeten dat geluk zoeken hetzelfde is als ongeluk ontvluchten, dat geen afstand daar te groot, geen zon te heet, geen grond te hard, geen leegte te leeg voor is.