Feesten in Lombok

Haar uitvalsbasis is het Volksbuurtmuseum in de Utrechtse wijk Lombok. Het museum is gevestigd in een voormalig hoekpand van De Gruyter met vergeelde tegelplateaus op de muren: sawa's, een Japans tafereel en een oud-Hollands interieur. Er staan een toonbank, een viskar, het zwartfluwelen vaandel van Christelijke Gemengde Zangvereniging De Lofzang en een Marokkaanse waskom, een Chllal.

Hester Dibbits (34), werkzaam voor het Meertens Instituut, zegt: ``In de jaren tachtig was Lombok een probleemwijk volgens sociologen; ruzies, slechte woonomstandigheden, moeizame assimilatie. Er is veel geld in gestopt door de Europese Gemeenschap. Nu is het een voorbeeldwijk.''

Ze vertelt dat TCULT – Talen en Culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal – een samenwerkingsproject met universiteiten is. ``Er werken zo'n vijftien onderzoekers mee. Ik was net begonnen met een onderzoek naar zondagsviering, toen ik hier aan kon meewerken. We onderzoeken talen die in de wijk worden gesproken.'' Die talen worden ruim genomen: verhalen, moppen, graffiti, feesten, liedjes, gebaren. Twee onderzoekers zijn Marokkaans van origine. ``We kijken vooral naar uitwisseling en toe-eigening: nemen mensen eerder taal, bepaalde gerechten of muziek over. Hoever gaat die toe-eigening? Raakt het je echt of neem je alleen het uiterlijke over? Wat doe je ermee?''

Waar is jouw onderzoek op gericht?

``Op Ramadan en de viering van Sinterklaas en Kerstmis: wat wordt er op school aan gedaan en wat thuis bij Marokkanen, Turken en autochtonen? Er werd door het volksbuurtmuseum een Sinterklaasfeest georganiseerd met een Turkse Sint. Ik raakte in gesprek met een moeder, die vertelde dat haar dochter op de Mavo problemen had met Engels. Ik bood aan te helpen in ruil voor interviews. Die moeder gaat me Turks leren. Ik kreeg contact met hun kennissen en probeer nu ook zo'n ingang te vinden bij Marokkaanse mensen.'' Op de eerste verdieping van het museum staat een computer. ``Maar ik zit liever hier beneden, dan kan ik zien wat er buiten gebeurt en er komen eerder mensen aanwippen. Vanmorgen klopte een Turkse man aan, Hasan. Hij informeerde of hij hier koffie kon drinken. Ik vroeg of ik hem vanmiddag mag interviewen.''

Later in de middag komt Hasan langs met vriend Metin, snackbareigenaar, die maar twee keer per jaar de moskee bezoekt: ``Ik luister naar het hart van iemand, kijk niet naar wat iemand doet.'' Hasan: ``Met kerst kopen veel Turkse families een kerstboom. Onze ouders niet, die houden vast aan de oude cultuur.'' Ze vertellen over zwarte magie, hoofddoekjes en het suikerfeest met baklava en bezoeken aan ouderen. Metin: ``Bij het schapenfeest mag een schaap niet jonger dan een jaar zijn; eenderde moet aan armen gegeven worden en eenderde aan bezoekers.''

Direct na dit gesprek praat Hester met drie Marokkaanse meisjes, die in Leiden Arabisch studeren. Ze willen een stage-onderzoek doen naar bijgeloof; ze gaan tevens tolken en tapes uitwerken. Ze vertellen dat in Marokko veel bijgeloof bestaat. ``Mensen hangen ter bescherming een kruidenzakje in de auto, jeuk aan je neus betekent dat er bezoek komt.'' Eén van hen valt de hennatatoeage op Hesters hand op. ``Ja, ik ben net terug van vakantie in Marokko.''

Hester studeerde geschiedenis aan de UvA en liep stage bij de VOC-opstelling van het Rijksmuseum. Ze inventariseerde collecties van waterschappen en verrichtte achtergrond-onderzoek voor een film van Ben Verbong. ``Hij had heel concrete vragen, zoals: hoe liepen mensen in die tijd over straat.'' Vervolgens reageerde ze in 1991 op een advertentie van het Meertens Instituut, dat onderzoek verricht naar taal en cultuur. Ze werkt op de afdeling etnologie en promoveerde vorig jaar op `Verstouwd bezit. Materiële cultuur in Doesburg en Sassluis 1650-1800'.

TCULT is volgens haar ``een verademing na al dat archiefwerk. Er is een andere fase in mijn leven aangebroken. Ik zat altijd in Amsterdam, in het historische wereldje, waar je steeds dezelfde mensen ziet. Dit is werken in het nu. In het begin voelde ik me bij die interviews aan huis een soort Jehovah-getuige, maar ik heb gemerkt dat ik makkelijk contact maak.''

Ze werkt vier dagen per week. ``Eén dag per week werk ik onder andere aan het opstarten van een project rond het thema `verhuizen'. TCULT duurt vermoedelijk tot eind 2000. Ik wil het tot het najaar minderen en dan weer intensiveren, vanwege de feesten, kerst en ramadan. Dan moet ik echt toeslaan. Het liefst zou ik hier een tijdje wonen.''

We lopen de wijk door, langs een winkelstraat met Hindoestaanse juwelier, paardenslager, Crédit du Maroque, een Surinaams reisbureau en Europhone, een winkel met goedkope beltarieven. Bij een Marokkaanse muziekwinkel koopt ze een tape en hangt een briefje met afscheurstrookjes op, waarin ze vraagt om jongeren die - vergoeding in overleg - willen meewerken aan interviews.

Op het terrasje van snackbar De Driehoek, een broodje lamsvlees etend, zegt ze: ``We hebben afgelopen winter een enquête gedaan bij 300 huishoudens. Eerst met een laptop, maar formulieren bleek handiger te werken. Jammer genoeg waren er weinig Turks en Marokkaans sprekende gezinnen bij. Veel mensen, onder wie studenten, wonen hier pas twee jaar. Doordat de buurt nogal veryupt, zaten we met de vraag of ons onderzoeksgebied nog wel bestond. Bij de follow-up enkele maanden later bleken veel mensen niet thuis te zijn of geen zin meer te hebben.''

Scholen worden ook overstelpt met enquêtes en staan er niet om te springen, zegt ze. ``Vandaar dat we verschillende methoden hanteren. Het zijn toevalstreffers, je moet constant aftasten hoe je verder moet. We vragen jongeren een dagboek voor ons bij te houden en proberen spontane taaldata te verkrijgen door ze een taperecorder mee te geven en in de kroeg of tijdens het kletsen in een groep gesprekjes te laten opnemen. Daarnaast organiseren we tweegesprekken. We laten twee mensen van dezelfde generatie met elkaar praten zonder dat we erbij zijn. Ze praten naar aanleiding van een formulier met stellingen als: `Lombok is een vervelende wijk om te wonen' en een map met afbeeldingen van gebaren, sportmerken, skeelers en het handje van Fatima. We nemen het op tape op. Met een collega heb ik ook instellingen benaderd, zoals jongerencentrum Mix. Je moet oppassen, want je loopt elkaar al snel voor de voeten met zo'n grote groep.''

Twee weken later. Hester: ``Ik heb die band van de vorige keer afgeluisterd. Er staan leuke dingen op, zoals de kinderen van die ene Turkse man, die thuis Sinterklaasliedjes extra goed oefenen, omdat ze zich anders op school schamen. Zo'n vraag wat Sinterklaas voor hem betekent werkt niet. Dat wist ik ook wel: `Don't ask for meaning'. Vandaar dat ik later vroeg wat ze op zo'n dag doen en eten. Interessant vond ik dat ze vertelden dat veel Turkse gezinnen een kerstboom in huis halen en dat de moskeeën hier nu vol zitten, doordat het voor veel ouderen de sociale ontmoetingsplek is.''

We lopen naar een speelterreintje aan het Bankaplein. Collega Theo Meder doet onderzoek naar verhaalcultuur, Marie van Dijk naar zangcultuur. Buurtkinderen spelen vanwege de zomerse warmte in een zwembadje. Onder een afdak praat Marie met een jonge kaalgeschoren vader, pamper op tafel, het jongste kind in de kinderwagen. Haar collega Theo zit bij een Surinaams meisje dat met rietjes, schelpen en karton een collage maakt, zijn taperecorder ligt voor hen op tafel. Theo: ``We komen hier iedere woensdagmiddag. Dit meisje kent Doornroosje en zelfs Anansiverhalen van de juf, niet van thuis. Ik ga straks doorvragen als het zo uitkomt.''

Het Meertens Instituut is sinds een jaar gevestigd in een voormalige Colafabriek, aan de rand van Amsterdam. In de leeszaal is een plekje gereserveerd voor boeken en een knipselmap met artikelen die relevant zijn voor TCULT. Op een boekenplank in Hesters werkkamer staan tapes en DAT-opnamen. ``Die moet ik nog allemaal uitwerken.''

Het Meertens Instituut kwam in het nieuws door de romancyclus `Het Bureau' van Voskuil. Hester: ``Het kwam naar voren als een stoffig instituut. Dat speelde in de tijd van mijn proefschrift en is nogal langs me heengegaan. We zijn naar een nieuw gebouw gegaan, er is een andere directeur en meer integratie gekomen tussen volkskunde en taalkunde, met een omslag naar het contemporaine. TCULT is een pilot-project van die nieuwe opzet.''

Ze woont aan de Keizersgracht, tegenover het oude gebouw van het instituut. ``Ik kon hier vandaan op mijn bureau kijken.'' De woonkamer, driehoog, is tevens Hesters geboortekamer. Haar ouders zijn naar het achterliggende pand verhuisd, ``Als de bomen 's winters kaal zijn, zie ik mijn vader aan zijn bureau zitten. Hij is Quaker en was hoogleraar sociale pedagogiek aan de UvA. Mijn moeder is op latere leeftijd aan de Volksuniversiteit Nederlands gaan geven. Ik kom uit een intellectuele familie, ben beschermd opgevoed en van huis uit volgepropt met culturele bagage. Ik heb een broer en een zus. Met mijn ouders heb ik altijd een goede band gehad, er kon gepraat worden en er mocht veel. Ik zat op het Barlaeus Gymnasium, speelde cello, roeide en was heel braaf op school.''

Haar werk pakt ze zo wetenschappelijk mogelijk aan. ``Ik zit wel vaak te worstelen, ben wat bang op mijn gevoelens af te gaan. Ik heb geen bepaald idealisme bij mijn werk, maar ben wel sociaal bewogen. Het houdt me nu erg bezig hoe ik zelf met allerlei cultuurverschillen omga.''