De wereld moet zich heroriënteren

De huidige wereldorde, die wordt gedomineerd door de hegemonie van de VS, biedt geen enkele garantie voor de toekomst. Zbigniew Brzezinski meent dan ook dat de internationale betrekkingen aan een heroriëntatie toe zijn. Tevens moeten we ook onze ogen niet sluiten voor de verontrustende ontwikkelingen die plaatsvinden op het individuele vlak van het menselijke bestaan.

Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie maakte een einde aan de bipolaire wereld en luidde een tijd van Amerikaanse hegemonie in. Hegemonie mag echter niet worden verward met almacht, al is zeker sprake van overwicht.

Wanneer we aan de toekomst denken, is de de eerste vraag die opkomt hoe die hegemonie eruit zal gaan zien. Zal de Amerikaanse hegemonie abrupt eindigen of overgaan in iets anders? In het eerste geval is er, gezien de actuele machtsverhoudingen in de wereld, slechts één vervolg mogelijk: internationale anarchie. Geen systeem of combinatie van landen zou op dit ogenblik immers de rol van de Verenigde Staten kunnen overnemen. Maar als de Amerikaanse hegemonie overgaat in iets anders, rijst de vraag: waarin, en hoe?

Een tweede ingrijpende verandering als gevolg van het einde van de Sovjet-Unie staat met die Amerikaanse hegemonie in verband. Ik doel op het verdwijnen van de grote ideologische tweedeling die de loop van deze eeuw heeft bepaald: de vraag hoe de maatschappij moet worden ingericht en hoe de politieke macht binnen de maatschappij moet worden verdeeld. Onze eeuw was een eeuw van fanatiek dogmatisme gemotiveerd door het verlangen om in het maatschappelijke domein van het menselijk leven een gedwongen utopie te realiseren. De vraag die de beëindiging van dit conflict oproept is wat in de toekomst de intellectueel en emotioneel motiverende krachten van het politieke debat zullen zijn.

Als de Amerikaanse hegemonie een overgangssituatie is – als ze vreedzaam zal eindigen, en niet door een plotselinge omverwerping die tot anarchie leidt, of door eenzijdige Amerikaanse desertie uit het wereldgebeuren, die eveneens tot anarchie zou leiden – dan moeten fundamentele, systematische veranderingen plaatsvinden in het evolutieproces van die hegemonie. Deze veranderingen moeten zich concentreren op die regio's in de wereld die het belangrijkst zijn en waar het potentieel voor verandering het grootst is – Europa, Rusland, China, Japan en het gebied dat het Midden-Oosten en de Perzische Golf omvat. Dit zijn de regio's waar veranderingen beduidende dynamische consequenties kunnen hebben. Daarom moeten het aanpassingsproces en de evolutie van nieuwe politieke betrekkingen verlopen op een manier die de stabiliteit in de hand werkt.

In dit verband zijn twee betrekkingen veruit het belangrijkst: die tussen Amerika en Europa, en die tussen Amerika en China. Deze betrekkingen zijn van invloed op andere relaties die ermee in verband staan. De Amerikaans-Europese relatie zal van beduidende invloed zijn op de relaties van de VS en Europa met Rusland en uiteraard op Ruslands relatie met Europa en Amerika. De relatie van Amerika met Europa zal ook hoogst belangrijk zijn voor de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en het Perzische-Golfgebied. De Amerikaanse relatie met China heeft vervolgens weer belangrijke gevolgen voor de relaties van Amerika en China met Rusland, die zelf weer gevolgen zal hebben voor Ruslands relatie met Amerika en met China. Tot slot zal ze ook van beduidende invloed zijn op de rol van Japan op het wereldtoneel.

Met betrekking tot Rusland hebben de Amerikaans-Europese en de Amerikaans-Chinese relatie tot taak een normale verhouding tot stand te brengen waarbinnen Rusland een stabiele, constructieve mondiale rol kan vervullen. Amerikaans-Europese samenwerking in het Midden-Oosten en het Golfgebied kan bijdragen tot de stabiliteit in die regio op de langere termijn, aangezien deze niet voor onbepaalde duur uitsluitend op de Amerikaanse suprematie kan blijven berusten. De Amerikaans-Chinese betrekkingen hebben, naast hun gevolgen voor Rusland, ook betekenis voor de stabiliteit van Noordoost-Azië, waar potentiële conflicten dreigen. Zij zullen mede bepalen hoe Japan zijn eigen rol in internationale aangelegenheden definieert als de grote mogendheid die het is, niet alleen economisch, maar op den duur ook politiek en militair.

Het is absoluut noodzakelijk dat deze relaties, en vooral het eerstgenoemde, primaire tweetal, op verantwoordelijke wijze worden onderhouden en leiden tot groeiende samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid. Bij een juiste aanpak zullen zij dan de geleidelijke afwenteling van de Amerikaanse hegemonie stimuleren, waardoor na verloop van tijd een coöperatieve machtsstructuur kan ontstaan in plaats van de huidige, unieke omstandigheid dat één supermacht weliswaar niet almachtig is maar toch een overwegend gezag uitoefent. Veel hangt echter af van de ontwikkeling van Amerikaans-Europese relatie.

Wanneer ik zeg `Amerikaans-Europees', gebruik ik twee woorden met twee geheel verschillende betekenissen in hun politiek-militaire context. `Amerikaans' doelt op de politieke en militaire macht van de VS; `Europees' wil zeggen: de politieke en militaire houding van een aantal Europese landen die economisch nauw samenwerken en geleidelijk nauwer gaan samenwerken wat betreft hun buitenlandse en militaire beleid, maar nog geen gemeenschappelijk politiek en militair profiel tonen. Het is wellicht interessant op te merken dat de Europese leden van de NAVO tweederde aan hun defensie besteden van wat de Verenigde Staten daaraan uitgeven. Maar met die tweederde realiseren de Europese landen een militair vermogen dat hoogstens op rond 20 procent van het Amerikaanse vermogen wordt geraamd.

Een tekenend voorbeeld is dat in de recente crisis rond Kosovo er niet één Europees land was dat het militair zelfstandig had kunnen opnemen tegen Servië, een tamelijk arm, onderontwikkeld land met tien miljoen inwoners. Dat wil zeggen dat Europa, wil het binnen het internationale systeem in wording als partner van Amerika kunnen optreden, zich zal moeten verenigen en zal moeten integreren – niet alleen economisch maar ook politiek en militair. Amerika zal zich daaraan moeten aanpassen. Dat zal voor beide partijen moeilijk zijn – moeilijker aan Europese zijde omdat men zich daar grotere inspanningen moet getroosten. Maar ook Amerika zal hard moeten ingrijpen, bijvoorbeeld binnen de NAVO en in het Midden-Oosten en het Golfgebied, waar de Verenigde Staten thans een machtsmonopolie bezitten.

Herstructurering van de Amerikaans-Chinese relatie zal moeilijker in goede banen te leiden zijn. De Chinees-Amerikaanse betrekkingen wekken namelijk nogal eens hysterische reacties, zowel bij de Amerikaanse als de Chinese publieke opinie. Toch is het van wezenlijk belang dat China als stabiliserende factor in het internationale systeem wordt opgenomen, en niet in het kader van een uitstotingsstrategie, waarbij China, Rusland en India tegenover de Amerikaanse hegemonie komen te staan. Door voor samenwerking te kiezen kan China een situatie vermijden waarin Japan in de verleiding zou kunnen komen een steeds onafhankelijker veiligheidsbeleid te voeren, iets wat in sommige opzichten nu al het geval is.

Als Japan hierin echter te ver gaat, zou dat tot zulke grote spanningen in de Japans-Chinese relatie leiden dat het ontstaan van een stabiele Amerikaans-Chinese relatie in het gedrang komt. Maar als men in dit proces zijn verantwoordelijkheden neemt, als Europa zich verenigt, de EU en de NAVO zich uitbreiden, als Amerikanen en Chinezen beter samenwerken, als de politieke verantwoordelijkheid voor het lot van het Midden-Oosten en het Golfgebied beter wordt verdeeld, vooral wanneer er straks een vredesverdrag tussen Israel en zijn buren zal zijn, als op de duur een trilaterale verstandhouding, samenwerking en veiligheidsregeling in het Verre Oosten tot stand komt, als Rusland beseft dat zijn enige reële toekomst niet de vestiging van een nieuw wereldrijk is, dat de status van wereldmacht voor zich opeist, maar de aansluiting bij een verder geïntegreerd Europa dat het Russische volk de kans zal geven een echt democratische, moderne staat te worden – dan tekenen zich de contouren van een wereld af die langzamerhand een alternatief kan bieden voor de huidige, tamelijk unieke fase van Amerikaans overwicht.

Al deze veranderingen zullen moeite kosten. Maar als de wereld zich in deze richting ontwikkelt, zal iets als een nieuw conclaaf van wereldpolitieke macht gaan ontstaan, en dat zal dan het begin van een nieuw wereldorde zijn.

De tweede grote verandering – het einde van de mondiale ideologische tweedeling – stelt eveneens moeilijke en wellicht nog ingewikkelder vraagstukken aan de orde. Er heerst op dit ogenblik een fundamentele, soms zelfs rituele consensus dat democratie en mensenrechten het uitgangspunt zijn voor elke politieke organisatie, waarbij een vrije markt in een of andere vorm met een wisselende mate van maatschappelijke verantwoordelijkheid en gebaseerd op het particulier ondernemerschap de grondslag voor alle economische activiteit vormen. Zeker, er valt te delibereren over een derde weg, of een tweeëneenhalfste weg of een drieëneenhalfste weg, maar dat zijn marginale discussies. Voor de korte termijn zijn de grote vraagstukken inzake de inrichting van de maatschappij opgelost.

Maar er heerst een toenemende verwarring in de wereld, vooral in de meest geavanceerde samenlevingen, over een andere kwestie die voor grote verdeeldheid lijkt te gaan zorgen. De twintigste eeuw is gedomineerd door het debat over de maatschappelijke organisatie van het menselijk bestaan op basis van alternatieve opvattingen van de geschiedenis en zelfs van de menselijke persoonlijkheid. Thans staan we aan het begin van een groot debat over de persoonlijke dimensie van het menselijk bestaan.

De nazi's en communisten vertegenwoordigden het summum van de menselijke hubris in hun opvatting dat langs politieke weg een menselijk utopia te scheppen zou zijn. We staan vandaag misschien aan de wieg van een nog grotere hubris, die waarschijnlijk spontaan en niet op basis van een politieke richting zal optreden, en die nog veel onbeheersbaarder en dynamischer zal zijn. Dit verschijnsel zal niet gepaard gaan met een welbewust uitgeoefende macht, maar veeleer met spontaan uitgeoefende wetenschappelijke vermogens om de menselijke persoon te verbeteren, te veranderen, te herscheppen. En daarmee begint een geheel nieuw tijdperk voor de mensheid.

Gedurende het grootste deel van zijn bestaan heeft de mens geschipperd en geworsteld met en getracht vat te krijgen op de uitwendige omstandigheden van zijn bestaan. Voortaan echter zal de grote tweedeling en zullen de wezenlijke vraagstukken steeds meer betrekking hebben op het inwendige domein van het bestaan – getuige de kwesties die in geavanceerde samenlevingen het politieke discours in beroering beginnen te brengen: geboortenbeperking, sterven op verzoek, levensverlenging, kuren, cosmetische chirurgie, verbetering van het leervermogen, persoonlijkheidsverandering, het klonen van mensen, hersentransplantaties, de synthese van menselijke en kunstmatige intelligentie. Alle zijn binnen ons bereik. Aan alle wordt op verschillende manieren gewerkt, maar zonder dat er fundamentele criteria zijn voor de toepassing ervan. We zijn in filosofisch opzicht verward en in religieus opzicht onzeker.

Hier dreigt niet alleen het gevaar van onbeheersbare veranderingen met onvoorspelbare gevolgen, maar ook het gevaar dat met betrekking tot de kwaliteit van het leven een nog grotere kloof ontstaat tussen samenlevingen waar deze nieuwe mogelijkheden massaal worden gebruikt en samenlevingen die niet over de daarvoor benodigde middelen beschikken. Dit kan een geheel nieuwe ongelijkheid teweegbrengen. Niet een die wordt gemeten naar inkomen, zoals de ongelijkheid als gevolg van de industriële revolutie waarop het marxisme een reactie was, maar een ongelijkheid betreffende fysieke conditie en welzijn. Dit zal tot ernstige problemen leiden in een wereld die trouwens toch al steeds sterker verdeeld raakt door inkomensverschillen.

Ik hoef maar te verwijzen naar het VN-rapport over 1998 en de schrijnende cijfers over de economische ongelijkheid tussen mensen, die het uitgangspunt kunnen gaan vormen voor wetenschappelijke ongelijkheid. Sommige cijfers spreken voor zich: de rijkste drie mensen ter wereld bezitten samen een rijkdom dat het totale bruto binnenlands product van de minst ontwikkelde 48 landen te boven gaat. Amerikanen besteden 8 miljard dollar per jaar aan cosmetica. De VN schatten dat 6 miljard dollar per jaar voldoende zou zijn om iedereen ter wereld een basisschoolopleiding te geven.

De Europeanen geven 11 miljard dollar per jaar uit aan consumptie-ijs – met 9 miljard dollar zou de VN iedereen van schoon drinkwater en veilige riolering kunnen voorzien die dit nu nog moet missen. De Amerikanen en Europeanen besteden 17 miljard dollar aan voedsel voor hun huisdieren – een verhoging van de ontwikkelingshulp met 13 miljard dollar zou primaire gezondheidszorg en bescherming tegen ondervoeding kunnen bieden aan alle wereldburgers die deze voorzieningen nu ontberen. De rijkste 225 personen van de wereld bezitten samen meer dan 1 biljoen dollar, en van de 4,4 miljard inwoners in de ontwikkelingslanden heeft 60 procent niet de beschikking over veilige riolen, eenderde niet over schoon water en beschikt eenvijfde niet over medische zorg.

De revolutie in het inwendige domein van ons bestaan, waarvan de reikwijdte onvoorspelbaar is en de richting onzeker, vindt plaats tegen een decor van een steeds scherpere tweedeling in het materiële bestaan van de mensheid. Dit werpt voor de toekomst een aantal ernstige vragen op. De twintigste eeuw is een misdadige eeuw geweest, gemeten naar haar ideologische discours en de politieke vormen waarin zich dat uitte. Ze is overigens begonnen met een geweldige golf van optimisme. De toonaangevende kranten in Europa en Amerika stonden op 1 januari 1900 vol optimistische verhalen. Nu we aan de vooravond van de volgende eeuw staan, zouden we er goed aan doen, juist wegens de overwinning van 1989, uit te gaan van een zeer nuchtere, realistische en filosofisch verantwoordelijke taxatie van de problemen waarvoor we straks samen komen te staan.

Zbigniew Brzezinski is voormalig adviseur inzake nationale veiligheid van president Carter en thans hoogleraar internationale betrekkingen aan de John Hopkins Universiteit.

© Project Syndicate/Institut für die Wissenschaften vom Menschen