De diepte van Vathi

Wat is eigenlijk het tegendeel van groene vingers? Paarse vingers? Van tuinieren heb ik schaamteloos weinig verstand. Het is er – bij gebrek aan eigen tuin, roep ik altijd – eenvoudigweg nooit van gekomen. De waarheid is: ik ben er te lui voor en beschik niet over de juiste verzorgende eigenschappen. De mooiste herinneringen bewaar ik dan ook aan tuinen die geen tuinen zijn maar musea. De Hortus Botanicus in Leiden, bijvoorbeeld, of het uitgestrekte landgoed Kirstenbosch aan de hellingen van de Tafelberg, stellig de meest paradijselijke tuin van Afrika. Maar niets heeft ooit onze ervaringen in Vathi overtroffen.

Toen mijn zoontje zestien maanden oud was (hij draagt nu al bijna een snor, dus het moet voor hem ontzettend lang geleden zijn) besloten we een jaar op het Griekse platteland door te brengen. Aan het eind van de zomer huurden we een klein huisje met zicht op de baai van Merambello, acht kilometer van het dichtstbijzijnde dorp. Er stonden veertig olijfbomen op de lap grond die wij onze tuin mochten noemen. Twee geiten en een oude man met een jachtgeweer waren bij de huur inbegrepen. De oude man droomde iedere nacht van hazen, dat deelde hij althans 's ochtends de olijfbomen mee: hazen die in het heldere licht van een wintermaan verschrikt stil zouden blijven zitten, zodat hij ze – pffft! – met gemak neer kon knallen. Maar zover was het nog niet. In oktober kwamen de eerste regens en begrepen we ineens waarom deze plek Vathi heette – `diepte' of `in de diepte' in het nieuw-Grieks, dezelfde stam als `bathos'. In de vallei te Vathi verzamelden zich grote hoeveelheden vocht, water dat maar moeizaam een uitweg naar zee vond, nog geen vijfhonderd meter verderop. We zaten in een kom of in een soort natuurlijke trechter, en dat miste zijn uitwerking op de gewassen in de omgeving niet.

Het voordeel van een heel jaar in het zuiden is dat je de seizoenen meemaakt die er het meeste toe doen, en niet alleen die snikhete zomer wanneer alles grotendeels stilstaat (het weer, de kalender van de orthodoxe kerk, het Griekse verstand zowel als de lokale flora). Terwijl mijn zoon leerde lopen – eerst in en om het huis, langs de haag van bougainvillea's en daarna in wat wij zo langzamerhand beschouwden als `onze' vallei, brak tegelijkertijd een weelde aan groen uit de grond. Groen dat meer beloofde. En het was alsof de verkenningsdrift van die jongen in de pas liep met het bottende jaargetij. Tegen de kerst ging geen week voorbij of we ontdekten samen weer een nieuwe plant, steeds verder van huis.

Het begon, als ik me goed herinner, met wat ik in mijn onkunde aanzag voor een soort wilde ui (Asphodelus albus, bleek later), niet bijster interessant maar uit die laat-zomerse verschroeide aarde en in de afzondering van Vathi een godswonder. Daar kwam toen, op een donkere plek in het braakliggende achterland, een cyclaam bij (Cyclamen persicum – we zochten nu alles keurig op*), waarvan alleen al de wonderlijk gemarmerde bladeren een genot voor het oog zijn. Hij – of is het zij? – bloeide pas aan het eind van december: prachtige witte slaaphoedjes die, nauwelijks waarneembaar, een zoetig parfum verspreiden. Een andere bezoeker uit het oosten was tegen die tijd al gewoontjes geworden, een soort rotsroos of ranonkel waarvan ik de naam ben vergeten maar wel weet dat ze alleen op Kreta en in Turkije voorkomt. Aan bedoelde struik – met vettige, grijsgroene bladeren – kwamen diepgele bloemen van een haast onvoorstelbare teerheid. Ze braken 's ochtends uit de knop met aandoenlijk gekreukelde bloemblaadjes, als de prille vleugels van een te vroeg geboren engel, en waren 's avonds alweer verdwenen. Plukken en op tafel schikken had geen enkele zin. We plukten eigenlijk alleen grassen, papavers, gladiolen en irissen (vooral avtiá toú lagoú, delicaat-blauwe `hazenoren') aan het slot van het seizoen, toen de overdaad op het veld gênant werd en het plukken vergeeflijker.

In dit verband schiet me nu iets anders te binnen. Op het dorp overwinterde nóg een buitenlands gezin. Ze hadden – uit een onbedwingbare potplantenbehoefte – een vingerplant in het wild ontdekt en mee naar huis genomen. Vast een zeldzaamheid. Daar zouden de Grieken van opkijken. Het pronkte op de salontafel en groeide als kool. Ja, er kwam zelfs een reusachtige bloem tevoorschijn. Inmiddels waren wij in een natuurlijk hofje tussen de Johannesbroodbomen (ach, de Johannesbroodboom!) onze eigen exemplaren tegengekomen. Dagelijks werd de stand van zaken bijgehouden. Nog voordat de bloem zich opende, stelden we vast dat het om een Dranunculus vulgaris ging – een soort arumlelie, maar dan van het drakerige soort. De geur was indrukwekkend. Uit de gevlekte, chocoladepaarse keel van de Dranonkel verspreidde zich weldra een lucht van opperste pestilentie, rottend vlees en overleden-ziekenbroedersvocht. Op het dorp werd hij prompt buiten de deur gezet, vertelde de oude man met de buks grinnikend. In ons lusthof was mijn zoontje er niet van weg te slaan. De insecten ook niet.

Ongetwijfeld de meest fascinerende plantensoort werd voor hartje winter bewaard, omtrent half maart. Langs de berghellingen achter het huis daalde de sneeuwgrens naar vijfhonderd meter, wat zorgen baarde. Aan de kust was de bonte ijsvogel weer verdwenen. De oude man was trots met een piepklein haasje aan komen zetten (pffft!), dat inderdaad goed smaakte. Op de velden voor het huis en in de verborgen lusthoven van het achterland was hier en daar al een kleine kolonie plantjes zichtbaar geweest die ons echter pas gingen opvallen toen op een dag de bloem tevoorschijn kwam. Minuscule gevlekte kussentjes, ter grootte van een vingernagel. Maar het verbazingwekkende: ze leken nog het meest op bijen – van écht vaak niet te onderscheiden – en ze bloeiden in duizend variaties.

Hier was een Hortus die geen weerga kende. Ik geef toe, we raakten met zijn allen bezeten van de Kretenzische, insecten nabootsende orchidee – Ophrys sphegodes, Ophrys fuciflora, Ophrys cretica – want dat was het. Geen helling te steil, geen vallei te ver. Ik zie mijn zoon nog met zijn korte, tweejarige benen een gevaarlijk pad afstrompelen naar een kloof in het bovenland waar wij de allermooiste exemplaren vonden (en waarvan ik de ligging hier met opzet verzwijg).

Beneden lag ook nog – zoiets verzin je niet – een sterk behaarde herder tussen zijn geiten te slapen.

*In `Flowers of the Mediterranean', Oleg Polunin en Anthony Huxley, Chatto and Windus, 1965.