Chemie met Byron

In het depot van Museum Boerhaave in Leiden liggen talloze stukjes geschiedenis van de natuurwetenschap opgeslagen achter gordijnen en in ladenkasten. Zoals een granaatscherf als presse-papier op het bureau van J.H. van 't Hoff.

ACOBUS HENRICUS van 't Hoff (1852-1911) dweepte met Byron. Vanaf het moment dat de romantische poëzie van de Engelsman hem als aankomend student technologie naar de keel greep had hij op zijn schrijftafel een gedichtenbundel paraat die hij veelvuldig opsloeg. Hele stukken kende hij uit het hoofd en zodra de gelegenheid zich voordeed citeerde hij zijn held met overgave.

In 1870, Van 't Hoff studeerde nog in Delft, deed zich een prachtkans voor een excursie à la Byron te ondernemen. Bezocht de dichter op zijn zwerftochten het slagveld bij Waterloo, Van 't Hoff kon in september 1870 met een vriend van zijn ouders mee naar Sedan in de Franse Ardennen, luttele dagen nadat Napoleon III er door de Pruisen krijgsgevangen was gemaakt. Stuurde Byron zwaarden en helmen als trofeeën naar Engeland, Van 't Hoff raapte petjes, patroonhulzen, epauletten en een flinke granaatscherf van zijn slagveld, tussen de bedrijven door gewonden, die in de nabije plaatsjes werden verzorgd, naar behoefte sigaren toestoppend. De granaatscherf kreeg thuis op de schrijftafel een vast plekje als presse-papier.

De rede waarmee Van 't Hoff op 11 oktober 1878 het hoogleraarsambt aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam aanvaardde was een krachtig pleidooi voor fantasie. Na lezing van ruim tweehonderd geleerdenbiografieën (als student was hij verzot op het genre) was het Van 't Hoff opgevallen dat wetenschappers van naam vaak kunstzinnig waren aangelegd, of – in de ziekelijke variant – last hadden van de zonderlingste fantasieën, bijgeloof, spiritisme, hallucinaties, ja zelfs krankzinnigheid. Zo bezat Priestley een geheel eigen godsdienst, had Descartes last van hallucinaties en hield Newton zich in een rijtuig altijd aan het deurtje vast uit angst voor ongelukken.

Dat Van 't Hoff de verbeeldingskracht in de wetenschap tot onderwerp van zijn rede nam had alles te maken met de vernietigende kritiek die de Duitse hoogleraar Kolbe een jaar eerder had uitgeoefend op zijn (in eigen beheer uitgebrachte) brochure over stereochemie. Kolbe bestempelde Van 't Hoffs idee dat één chemische structuurformule meerdere ruimtelijke structuren kan opleveren, ieder met aparte eigenschappen, als `niet ver van heksengeloof en spokenklopperij'. Het effect van de boutade was dat de publicatie, die tot dan toe vrijwel was genegeerd, opeens internationaal sterk in de belangstelling kwam te staan, alsnog op waarde werd geschat, waarna Van 't Hoffs ster snel steeg.

Met name Duitse universiteiten hadden oog voor de kwaliteiten van de Amsterdamse hoogleraar. In 1887 meldde Leipzig zich als eerste: of Van 't Hoff er hoogleraar wilde worden. Onmiddellijk werd hij van alle kanten geprest toch vooral in Amsterdam te blijven. Zelfs was de gemeenteraad binnen drie weken akkoord met de bouw van een gloednieuw, geheel volgens de wensen van Van 't Hoff ingericht laboratorium op de hoek van de Nieuwe Prinsengracht en de Roeterstraat. In 1892 kwam het gereed – het hier afgebeelde bureau is dat van Van 't Hoff, getuige ook de granaatscherf (links vooraan) en een beeldje van Byron. De studenten stroomden van heinde en verre toe. Zo druk kreeg de gevierde hoogleraar het met colleges, tentamens, examens en administratieve rompslomp, dat hij met handen en voeten aan Amsterdam gebonden was en aan eigen onderzoek nog nauwelijks toekwam.

Dat laatste begon flink te knagen. Toen Van 't Hoff december 1894 de kerstviering op het Amsterdamse laboratorium bijwoonde – de boom was opgetuigd met gasbranders, reageerbuisjes, kolven en glasdraad – was hij tot schrik van zijn medewerkers in het gezelschap van Max Planck. Inderdaad was die uit Berlijn overgekomen om Van 't Hoff de hoogleraarspost natuurkunde aan te bieden, vacant sinds de dood van Kundt. Weer slaat de Nederlander het aanbod af, om enkele maanden later alsnog te zwichten. Maar wat wil je ook, als de Pruisische Academie van Wetenschappen je een zetel geeft, een laboratorium en ook nog eens een persoonlijke toelage die je in staat stelt om je volledig aan je onderzoek te kunnen wijden. College geven aan de Berlijnse universiteit mag, maar er moet niets.

Ditmaal is er geen redden aan. Het Amsterdamse gemeentebestuur doet wat het kan, gaat op audiëntie bij de minister in Den Haag, maar tegen het aanbod uit Berlijn is geen kruid gewassen. Eind 1895 neemt Van 't Hoff ontslag. Zien collega's de overstap als eervol, buiten kringen van chemici valt gemor te beluisteren. Had Van 't Hoff niet zojuist een kostbaar laboratorium gekregen? Ook werd er geroddeld over zijn voorliefde voor een goed glas rode wijn.

In 1901 ontving Van 't Hoff als eerste Nederlander de Nobelprijs. Ook hierin was hij zijn tijd vooruit. Niko Tinbergen, Bloembergen, Van der Meer, Crutzen: zij allen ontvingen de hoogste wetenschappelijke onderscheiding terwijl zij in het buitenland werkten – Bloembergen was zelfs al Amerikaan. In 1902 kreeg Van 't Hoff nog een aanbieding uit Utrecht maar de voorwaarden haalden het niet bij wat Berlijn hem te bieden had. Van 't Hoff zagen we niet meer terug. Trouwens, had ook Byron zijn vaderland niet voorgoed de rug toegekeerd?

Dit is deel 8 van een maandelijkse serie over voorwerpen uit het depot van Museum Boerhaave. Het voorwerp staat voor de gelegenheid in het museum opgesteld. Adres: Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. Geopend di t/m za 10-17u, zo 12-17u.