Adieu tristesse

Steffi Graf was een meisje voor Han Berger: gerobotiseerd in etiquette en fatsoen. Zo tref je ze op de Nederlandse voetbalvelden niet meer aan, zeker niet onder de twintig jaar.

Ik zag haar op Wimbledon altijd graag buigen naar de koninklijke loge. Het knikje in de knieën was volmaakt gedresseerd. De ogen zorgvuldig geloken, het halve lachje perfect gepolijst tot verlegenheid. Steffi kende haar plaats, zelfs na 22 Grand Slams.

Het is goed dat ze weg is.

Jan Mulder werd gek van haar benen. Denkend aan de benen van Graf kon hij niet slapen. Nou ja, Mulder is van de benen, ik ben van de mens. In het gezicht van Graf lag honderd jaar eenzaamheid. Die totale troosteloosheid, het geharnaste lijden, ik kon er op den duur niet meer tegen. Nooit eens een blosje op de wangen, geen vuur in de ogen, altijd wit alsof ze met krijt was getekend, waar was toch het meisje, waar de vrouw?

In Steffi Graf vouwde de tenniswereld zich open als een harmonica van niet-gearticuleerde klaagliederen. Iedereen wist dat ze 377 weken de nummer een van de wereld was, dat ze meer dan 20 miljoen dollar bijeen had gesmasht, dat ze olympisch goud en een golden slam achter haar naam had staan, en iedereen dacht: nou en? In tegenstelling tot Gabriela Sabattini, Martina Navratilova en zelfs tot de gesponsorde keutel Monica Seles wist Steffi Graf haar successen niet te erotiseren. Was haar spel te superieur? Werd haar forehand te vanzelfsprekend? Hadden de juichtonen een te ouderwets timbre en waren de gebaren van geluk te schematisch en te voorspelbaar? Ik weet het niet. In elk geval: haar carrière had de drive van een diesel, niet van een bolide.

Op haar laatste persconferentie kon ze eindelijk lachen: ,,Ik zou trouwen, ik zou stoppen, ik zou zwanger zijn'', ridiculiseerde ze de geruchten die haar de laatste tijd vergezelden. Nee dus: ze stopt gewoon omdat het mooi is geweest. En ook: omdat blessureleed dat zich voortsleept vroeg of laat eindigt in koketterie.

Zal Fraulein Forehand nu eindelijk gelukkig worden?

Steffi Graf kan in haar dertigste levensjaar tenminste van zichzelf worden. Dat was haar de voorbije decades niet gegund. Loyaal tot in de vernedering ging ze gebukt onder de mercantiel-incestueuze levenswandel van haar vader. Nooit kon ze eens een wedstrijdje spelen zonder de aanwezigheid van die saaie moeder op de tribune. Steffi was altijd van de anderen: van de familie, van Opel, van Bild Zeitung, van de roddel.

Eindelijk kan ze zijn wat in haar gezicht aan dodelijke leegte ligt geklonterd: een doodeenzame vrouw. Een vrouw zonder jeugd, zonder dromen, zonder supplément d'âme. Nu begint het: om te strelen heb je geen forehand nodig – een hand volstaat. Maar weet ze ook wat strelen is? Volgens mij hebben haar ouderlijke pooiers haar dat nooit geleerd.

Er is nog een schielijke verweesdheid over toptennisters als Steffi Graf gevallen. Geld is niet langer de maatstaf der dingen. Als de benen van Jerrel Floyd Hasselbaink ook al achtendertig miljoen gulden waard zijn, waar staat Jan Mulder dan met de benen van Steffi Graf? Terwijl het verschil toch substantieel is: poten of benen. Over totaliteitszones gesproken, tegen de totaliteit van de benen van Graf legt de eclips het grandioos af.

Ooit dacht ik dat Steffi Graf mij wel begreep: zij heeft doorstaan wat niet te doorstaan is. Nu ze afscheid van haar carrière heeft genomen, weet ik het niet meer. Ze klonk mij, daar in Heidelberg, net iets te vrolijk. Alsof ze voor het eerst in haar leven leed in zelfbeheer. Op dat moment worden tranen kristallen paarden. Weg saamhorigheid.

Steffi Graf doet mij om een of andere reden aan Co Adriaanse denken. Ook zo'n granieten metafoor van succes en weelde. Het enige verschil is: Adriaanse heeft nog wel blosjes op de wangen, heeft niet die beverige knik in de knieën als hij voor Stekelenburg en Interpolis staat, durft nog een enkele keer weids van woord en gebaar te zijn. Maar ook hij is tijdens een wedstrijd wit als krijt. En hij zou zichzelf een randdebiel voelen als hij Steffi Graf ooit een marathon zou laten lopen.

Co Adriaanse weet wellicht beter dan Jan Mulder hoe duur benen kunnen zijn.