Wentelen in pensioenweelde

Pensioenfondsen in Nederland hebben miljarden guldens overtollig in kas. Steeds vaker gaat een deel van dat geld terug naar de werkgever, via premiekorting of rechtstreekse kapitaalstorting. Bedrijven kunnen zo hun resultaten oppoetsen, de gepensioneerden hebben het nakijken.

Grote bedragen, kleine lettertjes.

Is dat de reden dat de meeste werknemers geen belangstelling hebben voor hun eigen pensioenvoorziening? Collectief geregeld, onder leiding van de werkgever, zal dus wel goed zitten?

In een soort voetnoot, in een klein lettertype, dat ook nog is gezet tegen een grijze achtergrond, staat diep weggestopt in het jaarverslag van het Spoorwegpensioenfonds een zinnetje uit duizenden.

Het gaat over het pensioenvermogen van het fonds. ,,In de waarde eind 1998 is opgenomen een bedrag van 1.128 miljoen uit hoofde van backservice van de op 1 januari 1999 ingevoerde vroegpensioenregeling voor de bedrijven behorende tot het compartiment Railvervoer.''

Het Spoorwegpensioenfonds, dat voor een kleine 24.000 NS-werknemers de pensioenregeling uitvoert, is zo rijk dat het in één keer ruim 1.128 miljoen gulden kan uittrekken voor de omzetting van de dure VUT-regeling in een nieuwe vroegpensioenregeling. In het verslag van het bestuur van het pensioenfonds wordt de verandering wel genoemd, maar zonder het bijbehorende bedrag.

De Nederlandse Spoorwegen, die de VUT-regeling betaalden, kost de aanpassing vrijwel niets. De werkgever is verlost van een langdurige overgangsperiode waarin zowel VUT-premies (voor de huidige rechthebbenden) als vroegpensioenpremies (voor de aspirant-gepensioneerden) moeten worden betaald. Mooi meegenomen voor een bedrijf dat in deze kabinetsperiode nog naar de effectenbeurs moet.

Het gratis vroegpensioen is niet het enige voordeel dat de NS geniet dankzij de hoge rendementen van het eigen pensioenfonds. De Spoorwegen betalen sinds de verzelfstandiging in 1994, toen ook het pensioenfonds los kwam te staan van de overheid, geen pensioenpremie. Dat moet de NS inmiddels meer dan een miljard aan uitgaven gescheeld hebben. Hervatting van premiebetaling lijkt voorlopig niet nodig, gezien de formidabele beleggingsopbrengsten die het pensioenfonds uit de financiële markten perst.

Het Spoorwegpensioenfonds (bijna 21 miljard gulden vermogen) was de afgelopen vijf jaar de beste belegger van de tientallen pensioenfondsen die meedoen met de jaarlijkse vergelijking van hun beleggingsrendementen. Het fonds verdiende jaarlijks 3,4 procentpunt meer dan de doorsnee pensioenbeheerder. Dat extra rendement alleen was goed voor meer dan een miljard gulden beleggingswinst, oftewel een gratis vroegpensioenregeling.

De bedragen bij het Spoorwegpensioenfonds zijn hoger dan bij de meeste andere ruim duizend Nederlandse pensioenfondsen, maar het achterliggende principe is gelijk: pensioenfondsen zijn, onbedoeld, steeds vaker een winstmaker voor de werkgever.

Pensioenbeheerders bij de meeste bedrijven zijn de afgelopen jaren substantiële beleggers in aandelen geworden. Meer dan veertig procent van het pensioenvermogen (van ruim 800 miljard gulden) is nu in aandelen gestoken. Op de effectenbeurzen waren de rendementen de afgelopen jaren uitstekend. Daarnaast zorgde de dalende rente voor hoge winsten op hun (traditionele) beleggingen in effecten met een vaste rente.

Het doorsnee pensioenfonds behaalde de afgelopen tien jaar een rendement van 10,1 procent. Dat is ruim het dubbele van het minimale percentage van vier procent dat de fondsen als uitgangspunt voor het beleggingsbeleid hanteren. De inflatie was in deze periode nog lager: 2,1 procent. Dat leverde twee keer voordeel op. Door de hoge beleggingsopbrengsten is het financiële vermogen van de fondsen de afgelopen tien jaar verdubbeld, terwijl de pensioenverplichtingen door de loonmatiging en de lage inflatie ver achterbleven.

Deze weelde levert steeds meer werkgevers direct profijt op. In de vorm van kortingen op door de werkgever te betalen pensioenpremies, door terugstortingen van kapitaal door het pensioenfonds aan de onderneming of via andere voordelen, zoals hulp bij de omzetting van VUT-regelingen in vroegpensioen. Vorig jaar ging dit om 4,5 miljard gulden, zo blijkt uit een inventarisatie van jaarverslagen van meer dan veertig pensioenfondsen, die meer dan tweederde van het pensioenvermogen vertegenwoordigen. In 1997, het laatste jaar waarover de Verzekeringskamer cijfers geeft, betaalden bedrijven 11,4 miljard gulden aan pensioenpremies.

,,Het zijn een soort windfall profits voor het bedrijfsleven'', zegt hoogleraar ondernemingsfinanciering K. Koedijk (Universiteit Maastricht). Geld dat ondernemingen in de schoot valt, zonder dat zij er iets voor hoeven te doen. Door de lagere pensioenpremies vallen de personeelskosten van bedrijven lager uit en dat geeft hun een concurrentievoordeel op hun afzetmarkt.

In het werkgeversprofijt zijn de voorzieningen die sommige fondsen al hebben getroffen voor een daling van de rente of oplopende inflatie en voor af-financiering van nog openstaande pensioenaanspraken niet meegeteld. Dit gaat nog eens om meer dan twee miljard gulden. Zulke voorzieningen dekken bij voorbaat eventuele toekomstige hogere pensioenlasten voor de werkgever.

Het groeiende profijt voor de werkgever weerspiegelt een koerswijziging in het denken over pensioenen. Het waarborgen van de toegezegde uitkeringen is niet langer het enige uitgangspunt. Zo laag mogelijke pensioenpremies zijn een ten minste even expliciet doel geworden, bij bedrijven en bij de overheid. De top van pensioengigant ABP (300 miljard vermogen; sectoren overheid en onderwijs) wil bijvoorbeeld voortdurend weten hoe zijn beleggers het doen, vertelt directievoorzitter J. Neervens in een boekje over het vermogensbeheer van het grootste pensioenfonds van Nederland. ,,Eén procentpunt extra beleggingsrendement kan een premiedaling van 20 procent'' per jaar opleveren.

De weelde van de pensioenrendementen lijkt in het bedrijfsleven gepaard te gaan met een gevoel van gêne. In hun jaarverslagen laten de meeste ondernemingen de meevallers in hun pensioenfinancieringen onvermeld. Ook wanneer het gaat om substantiële premiekortingen (zoals 400 miljoen gulden bij zowel ABN Amro als ING) of om de combinatie van korting en teruggave door het fonds bij Philips (samen bijna 600 miljoen gulden).

Zelfs bedrijven waar de premiekorting een beduidende invloed heeft op de winstgevendheid, zoals de bouwers Ballast Nedam en HBG, zwijgen over de meevallers. Bij Ballast Nedam is de premiekorting van 14 miljoen gulden goed voor tien procent van het bedrijfresultaat voor belastingen. Bij HBG is de teruggekregen pensioenpremie 38 miljoen gulden, op een bruto bedrijfsresultaat van 150.

,,De aandeelhouders moeten weten waar de winst vandaan komt'', vindt Koedijk. Door geen informatie te geven over de invloed van pensioenpremies op de resultaten ,,lijkt de positie van een bedrijf sterker dan 'ie in feite is''.

Ook hoogleraar pensioenrecht P. de Lange (Katholieke Universiteit Nijmegen) heeft twijfels over het pensioenfonds als winstmaker. ,,Het zou verkeerd zijn als een pensioenfonds een soort profit center voor het bedrijf wordt'', zegt hij.

De rendementsexplosie bij de pensioenfondsen maakt de vraag steeds prangender wie nu eigenlijk de eigenaar is van het opgebouwde kapitaal. Het geld zit altijd in aparte rechtspersonen (meestal stichtingen), zodat een bankroet van de werkgever de pensioentoezegging niet op het spel zet.

De pensioentoezegging is uitgesteld loon, waarover werkgever en werknemers net als over andere arbeidsvoorwaarden onderhandelen. Zij vormen ook samen de besturen van de pensioenfondsen. De gepensioneerden hebben in de besturen een zwakke positie. Soms hebben zij een bestuurszetel, vaak hebben zij niet meer dan enkele zetels in de deelnemersraad, die het bestuur adviseert, maar geen beslissingsmacht heeft.

In deze gremia vindt het touwtrekken plaats om de besteding van de beleggingswinsten op de pensioenmiljarden. Langs de kant staan het kabinet en de toezichthoudende Verzekeringskamer. De overheid houdt zich afzijdig.

Het kabinet verzet zich niet tegen uitkeringen van overtollig pensioengeld aan de werkgever. ,,Overreserves kunnen door de besturen van de pensioenfondsen autonoom worden aangewend tenzij statuten en reglement anders voorschrijven'', zei het kabinet vorige maand in een brief aan de Tweede Kamer. ,,De besturen zijn verplicht daarbij de belangen van alle belanghebbenden evenwichtig te behartigen.''

Moreel overwicht kan de overheid ook niet laten gelden, zeggen experts in de pensioenwereld. Uit een rapport van de Algemene Rekenkamer vorig jaar over de privatisering van het ambtenarenpensioenfonds ABP bleek dat de overheid in 1992 een premieachterstand had opgelopen van 33 miljard gulden. Die hebben ze nooit meer betaald. ,,Dat was een terugstorting aan de werkgever nog voordat het geld in het pensioenfonds verdiend was'', zegt een insider cynisch.

De Verzekeringskamer heeft tegen terugstortingen evenmin bezwaar, zolang dat niet tegen de reglementen van het fonds indruist en/of de financiële positie van het fonds er niet door wordt ondermijnd.

Pensioenhoogleraar De Lange is ,,niet principieel'' gekant tegen premiekortingen of terugstortingen van pensioengeld aan de werkgever. Hij vindt wel dat het fonds eerst een toereikende anti-inflatiebuffer moet hebben. Eerder dit jaar drong De Lange in zijn inaugurele rede aan op de noodzaak van koopkrachtbescherming als integraal onderdeel van de pensioenregeling. Daarvoor zou altijd dekking moeten zijn.

Wat betekent dat in de praktijk? Nu heeft een pensioenfonds gemiddeld 13 à 15 keer de pensioenuitkering in kas als iemand 65 wordt. De anti-inflatiebuffer zou, zo rekent De Lange uit de losse pols voor, bij een inflatieverwachting van drie procent 20 à 22 keer de pensioenuitkering moeten worden. Werknemers en werkgevers hebben direct profijt van een lagere pensioenpremie, doordat hun beschikbaar inkomen stijgt respectievelijk hun bedrijfskosten dalen. Hetzelfde geldt bij omzetting van VUT-regelingen in vroegpensioen op kosten van het pensioenfonds. Dat van hun zijde weinig bezwaar komt tegen deze manieren om de overwinsten van de pensioenfondsen te besteden, ligt voor de hand. De Lange: ,,De enige die daarop commentaar hebben zijn de gepensioneerden.''

Gepensioneerden zien liever een rijk pensioenfonds dat zijn geld in huis houdt, goed belegt en de waarde van hun ingegane pensioenuitkeringen in stand houdt of verbetert. Zij voelen zich in meer dan één opzicht tekortgedaan.

De hoge beleggingsrendementen van de afgelopen jaren blijken niet of nauwelijks door te filteren in verhoging van aanspraken van gepensioneerden. Slechts enkele pensioenfondsen hebben de aanspraken vorig jaar extra verhoogd. ABN Amro, ING en De Nederlandsche Bank deden dat bijvoorbeeld vanwege afspraken in de CAO voor het bankbedrijf, De Telegraaf deed het op eigen initiatief.

Bij andere fondsen klagen gepensioneerden over de tegenstelling tussen de hoge rendementen en de karige verhoging van hun pensioenen. Zo baseert het Philips Pensioenfonds zich sinds 1996 bij de verhogingen van de pensioenuitkering op de zogenoemde afgeleide prijsindex, waarin de kosten voor zorg en gemeentelijke heffingen niet zijn opgenomen. En dat terwijl de onderneming sinds enkele jaren geen pensioenpremie betaalt en Philips afgelopen jaar zelfs geld terugkreeg van het fonds.

De Nederlandse Bond van Pensioenbelangen heeft vorig jaar juridische procedures aangekondigd tegen pensioenfondsen die geld terugstorten naar hun werkgever. Tot nu toe is geen rechtszaak aangespannen. Werkgevers en werknemers hebben vorig jaar wel een convenant gesloten om de invloed te versterken van gepensioneerden in pensioenfondsen en bij pensioenregelingen van verzekeraars.

De pensioenfondsen zelf verdedigen in hun jaarverslagen de terugstorting van overtollig pensioengeld aan de werkgever met verve. ,,De rechtmatigheid van de premierestituties aan Philips staat buiten twijfel'', schrijft het College van Beheer van het pensioenfonds. Philips is in goede en slechte tijden verantwoordelijk voor het pensioen, zo redeneert het bestuur. In economisch moeilijke tijden betaalt de onderneming meer premies, in florissante beleggingsjaren hoeft zij weinig uit te geven, of krijgt het concern geld terug.

Steeds meer bedrijven gaan à la Philips over tot een duidelijke afbakening van de afspraken tussen het pensioenfonds en de werkgever, zo blijkt uit jaarverslagen van fondsen. Het pensioenfonds van Robeco streeft bijvoorbeeld naar een verhouding tussen pensioenvermogen en pensioenverplichtingen (dekkingsgraad) van 130 procent.

Onder een dekkingsgraad van 127,5 procent wordt de premie voor de werkgever verhoogd, boven 132,5 procent wordt de premie verlaagd. Bij een dekkingsgraad van meer dan 140 procent krijgt de werkgever ook het overschot terug. Vorig jaar profiteerde de werkgever daarvan door een premieverlaging en de teruggave van 2,7 miljoen gulden door het pensioenfonds.

,,Gaat 't niet te ver?'' oppert hoogleraar ondernemingsfinanciering Koedijk. ,,Het is niet raar dat de werkgever die in slechte tijden de pensioentoezegging handhaaft, ook in goeie tijden profiteert. Maar is het gezien de economische gang van zaken de afgelopen jaren nu het tijdstip om geld uit het pensioenfonds te halen? En moeten werknemers en andere belanghebbenden niet directer profiteren? De discussie moet gaan over de vraag of de maatvoering nu wel correct is. Is het toezicht op de fondsen adequaat en is hun beleid transparant? In veel gevallen is dat niet het geval.''

Dit is het eerste deel van een korte serie over het profijt van pensioenfondsen.