Wenen na de Anschluss

Het is niet verwonderlijk dat godsdiensten en filosofieën de gelovige en de denker vaak pogen te vrijwaren van de pijn van het verliezen van wat als kostbaar ervaren wordt. Het verloren gaan van wat als bezit werd opgevat lijkt de diepste kern van alle verdriet en pijn te zijn. In wezen gaat het daarbij steeds om het verlies van het leven zelf, maar de pijn in het hart wordt meestal gevoeld door het kwijt raken van verworvenheden die de inhoud van dit leven uitmaakten: van een tehuis, familie en vrienden, bezit, status, van dagelijkse gewoonten, van het decor waarin men zijn leven als zinvol beleefde. De wereldliteratuur is voor een groot deel gevuld met beschrijvingen van zulke verliezen, die soms door het noodlot werden veroorzaakt, maar in onze nu aflopende eeuw op grotere schaal dan ooit het gevolg waren van gruwelijkheden die mensen elkaar aandeden.

In mijn boekenkast worden rijen planken gevuld met autobiografische rapportages van vernederingen, confiscaties, verdrijvingen en levensbedreigende arrestaties. Vooral de gruwelen van nazi-Duitsland, dat zich hardhandig probeerde te ontdoen van alle onafhankelijke en joodse intellectuelen en schrijvers, vonden hun neerslag in autobiografisch proza van vaak ontroerende kracht. De bewuste onttakeling van iemands persoonlijkheid door het successievelijk wegnemen van alles waarmee men zichzelf had gedefinieerd door racistische en het dagelijks leven knevelende maatregelen werd daarbij door de nazi's al even grondig geprofessionaliseerd als het massale moorden in vernietigingskampen. Wie het tot in de details wil nalezen en navoelen leze Victor Klemperers dagboeken 1933-1945.

Maar weinig schrijvers hebben de pijn door vernedering en verdrijving gebruikt als stof voor niet-autobiografisch proza. De joodse Veza Canetti-Taubner Calderon heeft dat wel gedaan. Zij heeft een roman geschreven, hoewel met sterk autobiografische trekken, over een joodse geleerde en dichter, dr Andreas Kain, die na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland in 1938 zijn bestaan als volledig geassimileerde joodse Oostenrijker ziet verpulveren. Hij wordt met zijn vrouw uit zijn villa aan de rand van Wenen verdreven, nazi-patsers trekken erin terwijl hij nog aan het pakken is, zijn meubels en kunstvoorwerpen worden afgepakt of voor belachelijke prijzen `overgenomen`, zijn bibliotheek gaat verloren, zijn status als prominente intellectueel verdwijnt, ook al tonen sommige buurtgenoten sympathie en respect (maar veel verder dan het hoofd schudden over de nazi-barbaren komt men niet). Ten slotte wordt zijn broer die de Gestapo voor hem aanziet gearresteerd en vermoord. Zelf lukt het dr Kain samen met zijn vrouw en de urn met as van zijn broer het Derde Rijk te verlaten.

Veza Canetti schreef de roman waarschijnlijk in 1939, kort na haar aankomst in Londen, waar zij tot haar dood in 1963 met haar later wereldberoemde man, de schrijver Elias Canetti, bleef wonen. Dat het boek nu pas verschijnt, is merkwaardig, maar past in de unieke postume literaire `carrière' van de auteur. Tijdens haar leven publiceerde zij alleen een aantal korte verhalen in de Weense socialistische Arbeiterzeitung. Zij vielen in de vroege jaren dertig zeer op, voor één ervan kreeg zij een prijs. Maar haar eerste roman Die Geniesser werd in het steeds antisemitischer wordende Wenen nooit gepubliceerd. In Londen legde zij zich toe op vertalen (onder andere van Graham Greene's The Power and the Glory), haar eigen manuscripten gooide ze op een gegeven moment zelfs grotendeels in de prullenbak.

Aan het eind van de jaren tachtig wist Elias Canetti de Duitse uitgever Hanser Verlag te interesseren voor de uitgave van een bundel verhalen van Veza, die zij zelf nog tot een soort roman had samengevoegd. Die Gelbe Strasse heette het boek waarin de Ferdinandstrasse in het Weense Leopoldstadt de hoofdpersoon was. Veza Canetti, die zelf in deze straat had gewoond die voor de nazitijd bekend stond als het centrum van Joodse leerhandelaren, schilderde het kleurige volkje uit haar buurt met een afstandelijke pen en een scherp oog voor de treurnis in de levens van deze in het `getto' van Wenen samengeworpen mensen. Huistirannen, gedrochten, gewetenloze oplichtsters en tragische onderdrukten passeren de revue. De schrijfster onthoudt zich daarbij van elk oordeel, haar boek is geen aanklacht, haar portretten zijn koel. Hoewel alle figuren naar het leven getekend zijn, krijgen zij onder Veza's pen iets gestileerds, het zijn zeer geacheveerd beschreven types.

Na Die Gelbe Strasse publiceerde Canetti uit haar nalatenschap nog een toneelstuk Der Oger (1990) dat daarna in Zürich werd opgevoerd en een bundel verhalen Geduld bringt Rosen (1992). Van Veza Canetti's enige echte roman, Die Schildkröten, werden in de papieren van haar man, die in 1994 stierf, twee manuscripten gevonden. Beide bewerkt en klaar gemaakt voor publicatie. Waarom Canetti dit meest substantiële boek van zijn vrouw niet zelf nog bij uitgever Hanser Verlag onderbracht, is een raadsel. Het is in veel opzichten het beste dat zij schreef en het doet begrijpen dat zij op Canetti en vele anderen zo'n indruk maakte toen zij in de jaren twintig verkeerde in de kring van vereerders van Karl Kraus, de kleine licht gebochelde schrijver met het niets en niemand ontziende eenmanstijdschrift Die Fackel, die in het Konzerthaus voor afgeladen zalen eenmansvoorstellingen gaf waarin hij polemiseerde, zijn geliefde dichters voordroeg en opera's van Offenbach voorzong.

Maar ook al zat Veza Taubner-Calderon jarenlang op de eerste rij bij elk Kraus-optreden en stond zij na afloop van de voordracht, als een donderend niet aflatend applaus de buigende `boosaardige dwerg' zoals zijn tegenstanders hem noemden eerde, als in een trance aan de voeten van de meester, het betekende niet dat zij diens woedende pathos overnam. Integendeel. Ook Die Schildkröten, die in romanvorm de vernedering en verdrijving na 1938 van haar man en haarzelf beschrijft, is een boek vol kritische afstand, koele observaties en hier en daar humoristische typeringen. Net als in haar korte verhalen wordt de wereld in deze roman bevolkt door markante types, die vaak meelijwekkend zijn, maar soms ook stuitend, dikwijls wereldvreemd en geflipt, meer dan eens laf en hypocriet.

Elias Canetti heeft over zijn vrouw gezegd dat fictie eigenlijk niet haar stijl was. Ze kon geen figuren bedenken en tot leven wekken. Zij had altijd reële voorbeelden nodig. Maar, aldus Canetti, vreemd genoeg lijken de figuren in haar werk bedacht. Dit is ook weer waar in Die Schildkröten en het is het zwakste aspect van het boek. Als typen zijn de nazi Pilz, de geoloog Werner Kain, de huisbazin, de hulp Frau Wlk, het in Wolkenkuckucksheim levende buurmeisje Hilde en hun lotgenoot Felberbaum volstrekt geloofwaardig. Hun belevenissen en hun gedrag bezitten de klank van waarheid. Maar er kleeft iets kunstmatigs aan hen, alsof zij in een creatief brein ontstaan zijn en niet in de moederschoot. Curieus omdat het juist vaststaat dat echte mensen model hebben gestaan voor Veza's helden en antihelden. Elias Canetti in de eerste plaats voor de in het boek uiterst schimmig blijvende dr Andreas Kain, de schrijvende geleerde.

Meer dan de mensen komt in Die Schildkröten het klimaat van onzekerheid, angst,verwarring en illusies in Wenen na de Anschluss en de machtsovername door de nazi's tot leven. Hoe de vertrouwde bakens in de samenleving stuk voor stuk verdwijnen, hoe de rechtstaat wordt uitgehold, bezit niet langer veilig is, burgers wegens ras of overtuiging hun vrijheid verliezen, hoe de paniek in een deel van de samenleving om zich heen grijpt, de roman doet het navoelen. Daartoe draagt Veza Canetti's zeer eigenzinnige taalgebruik bij. Haar wat stijve, nooit exuberante, soms eerder plechtstatige stijl verhoogt de documentaire kracht van het boek. Het wordt daarmee een uniek relaas over vernedering en het verlies van huis en haard.

Veza Canetti: Die Schildkröten, Roman. Carl Hanser Verlag, 290 blz. ƒ47,10