Vijftien miljard jaar in anderhalf uur

Cronaca del Luogo heet het nieuwste werk van Luciano Berio, een opera die geen opera is. Een zaptocht door de geschiedenis in Gods eigen theater.

Geruststellend klinkt de uitleg die librettoschrijfster Talia Pecker Berio in Salzburg geeft, voorafgaande aan de voorstelling van Cronaca del Luogo, het nieuwe muziektheaterstuk van haar echtgenoot Luciano Berio. ,,Doet u vooral geen moeite het stuk te begrijpen door er een verhaal in te ontdekken. Om u niet in de verleiding te brengen zijn er ook geen boventitels met de teksten. Laat de muziek u het werk doen begrijpen.''

Luciano Berio is met Bruno Maderna de meest toegankelijke en aangenaam te beluisteren vertegenwoordiger van de `moderne', naoorlogse componisten. Hij karakteriseert zijn werk, net als eerdere stukken, als een `azione musicale', een muzikale handeling.

Gerard Mortier, de artistiek leider van de Salzburger Festspiele, vult Talia Berio aan: ,,Voor Berio geldt: `In den beginne was de klank', en niet `het woord', zoals de Bijbel begint. Men moet zijn muziek horen, de indrukken die hij geeft luisterend navoelen.'' Berio noemt Cronaca del Luogo dan ook geen `opera', waarin de betekenis van de tekst een sleutelrol speelt.

Niettemin geeft Mortier, een briljant spreker in Frans-zangerig Duits, geheel uit het hoofd en zonder enige hapering een helder klinkende inhoudsopgave en analyse van Cronaca del Luogo, `Kroniek van een plaats'. De poëtische teksten zijn door de in Israel geboren Talia Berio geschreven met een frequent gebruik van citaten uit en verwijzingen naar het bijbelse Oude Testament en het werk van een groot aantal schrijvers, vooral Paul Celan en Marina Tsvetajeva.

Het geheel is een complexe collage met veelal vage en soms duidelijke beelden, persoonlijke en collectieve herinneringen. Cronaca del Luogo is een zaptocht door de geschiedenis van de aarde, van Genesis tot Apocalyps, ja, zelfs de geschiedenis van het heelal van Big Bang tot Big Crunch. De `Kroniek van een plaats' omvat alles wat voorstelbaar is en wat onvoorstelbaar is. Want, zo zegt Talia Berio, `plaats' is een van de woorden waarmee de joden hun onbenoembare god Jaweh aanduiden.

Paardrijschool

Cronaca del Luogo is geschreven in opdracht van Gerard Mortier voor de plaats waar het in Salzburg wordt uitgevoerd: de historische Felsenreitschule met de merkwaardigste muur ter wereld. De paardrijschool, uniek in zijn soort, werd in 1693 uitgehakt in de rots van de Mönchsberg, waar Salzburg tegenaan gedrukt ligt. Als de Salzburgers tussen de rivier de Salzach en de Mönchsberg ruimte of steen nodig hadden, groeven ze de rots af of holden die uit. Dat begon al in Romeinse tijden. Karel de Grote bezocht in 803 de rotskelder van het Sint Petersklooster. In 1767 werd een tunnel door de rots uitgehouwen. Nu ligt het Festspielhaus er gedeeltelijk in en de rots herbergt ook een parkeergarage.

De Felsenreitschule ziet eruit als een renaissancetheater met loges. Aan drie kanten van de ruimte bestaan de muren uit galerijen die in de rots zijn uitgehakt, drie verdiepingen boven elkaar. Het is een gebeeldhouwd openluchttheater. Tussen de drie rotswanden ligt een podium, daartegenover is een grote tribune gebouwd voor het publiek. Het dak kan worden geopend, maar is bij deze voorstelling gesloten.

Wanneer men als publiek in de Felsenreitschule zit, is het alsof men vanaf het podium kijkt naar een theaterzaal, sober en streng, grijsgrauw en onverbiddellijk. Berio schreef Cronaca del Luogo voor deze plaats, die sinds 1926 door de Salzburger Festspiele wordt gebruikt als theater- en concertzaal. Daarmee is deze ruimte zelf ook een plaats geworden waar kunstgeschiedenis werd gemaakt. Zo dirigeerde Herbert von Karajan hier in deze duistere en dreigende sfeer in 1958 een legendarische uitvoering van het Requiem van Verdi, waarin op huiveringwekkende wijze de verschrikkingen aan het einde der tijden weerklinken. Wanneer men Verdi's dreunende versie van het Dies Irae voor de geest haalt, doet de Felsenreitschule aan als Gods eigen theater, de schouwplaats van het heelal.

De loges in de galerijmuur van de Felsenreitschule zijn voor Cronaca del Luogo dichtgemaakt met gaasdoek dat net zo geschilderd is als de rotswand. De muur lijkt daardoor geheel gesloten. Maar wanneer in de galerijen wat licht wordt ontstoken, kan men de musici en een deel van het koor door het gaasdoek heen zien. Zo is de muur dicht en open tegelijk. De 43 musici van Klangforum Wien zien elkaar niet en horen elkaar nauwelijks. Ze worden geleid door de voor het publiek onzichtbare dirigent Sylvain Cambreling. En wat de musici spelen wordt hoorbaar gemaakt en tegelijk live elektronisch bewerkt via een interactief muzieksysteem. Compositorisch is Berio's muziek even complex als de tekst.

Bouwvakkers

Hoewel een duidelijk verlopende handeling ontbreekt, is er in Cronaca del Luogo wel een aantal rollen. Zo is er `een man zonder leeftijd', er zijn drie gehelmde Babylonische bouwvakkers, we zien de gevleugelde halfengel Phanuel. En er is R, de hoofdrol. Die rol is speciaal gecomponeerd voor de dramatische sopraan Hildegard Behrens. `R' zou oorspronkelijk ook de titel van het werk zijn. Maar later besloot Berio zijn stuk een iets begrijpelijker titel te geven.

De naam R verwijst naar Rachab, de hoer in Jericho die in leven mocht blijven toen de muren van de stad instortten, nadat de Israelieten er zeven dagen omheen waren getrokken. R staat voor de oermoeder, zij is tegelijkertijd de bijbelse Eva en Sara, een Griekse sybille, de Wagneriaanse Erda en de Italiaanse Mama. Ze is een waarzegster, de vrouw die zich alles herinnert, die alles weet en alles voorziet.

Hoe complex Cronaca del Luogo is blijkt uit de uitleg van een ander vrouwelijk personage: Orvid. De naam is een samentrekking van Orpheus (de halfgoddelijke Griekse zanger) en koning David (de harpspelende joodse psalmdichter). Tegelijk is Orvid een alter ego van R. Zo hangt in Cronaca del Luogo alles samen met alles. De historie van het universum – naar menselijke berekening vijftien miljard jaar – is hier samengebald in anderhalf uur. Berio is daarmee heel wat beknopter dan zijn collega en generatiegenoot Karlheinz Stockhausen, die met soortgelijke pretenties al jaren werkt aan zijn zevendelige operacyclus Licht.

Naast R is er in Cronaca del Luogo nóg een hoofdrol: de muur. Die muur is de stadsmuur van Jericho, maar ook de Klaagmuur in Jeruzalem, de Chinese muur, de Berlijnse muur, een executiemuur. De Toren van Babel wordt hier opgevat als een opgerolde muur. In de Salzburgse enscenering is het een muur waarin het orkest is gesitueerd, het is de klinkende, zingende muur die de geschiedenis van de aarde in zich heeft opgenomen en die nu weergeeft als een reeks echo's die het verleden reflecteren. Het brengt bij mij een bijbelcitaat in herinnering: ,,Ik zeg u, indien dezen zwegen, zouden de stenen roepen.'' Hier in Salzburg zingen de stenen.

Klankgeruis

Als de voorstelling van Cronaca del Luogo begint is het duister, zoals voor het begin van de Schepping. Het aanvankelijk wat aarzelend op gang komende klankgeruis herinnert aan `Die Vorstellung des Chaos', het begin van Haydns cantate Die Schöpfung. Dan wordt het wat lichter, de koorleden op het podium groeperen zich en zingen: `Nacht. Wek de herinnering, fakkel in de nacht; wachtdienst bij nacht; luister naar de tijd van de nacht. Het is tijd.'

Dan komt R op, ze bekleedt zich, zoals later ook de koorleden, met herinneringen, door zich te hullen in kleren die in een grote hoop voor het podium liggen. Uiteindelijk worden al die jurken en jassen daar weer neergelegd: een berg afgelegde herinneringen, die hun functie hebben gehad.

De scène over de ondergang van Jericho wordt beheerst door het beeld van een generaal op een os. Het is ongetwijfeld een nakomeling van het Gouden Kalf, het afgodsbeeld waaromheen de Israelieten dansten, toen Mozes op de berg Sinaï de Tien Geboden bij God ging ophalen. Later is er een scène, die herinnert aan de kampen in de Tweede Wereldoorlog. Mensen, soms gedwee, soms tegenstribbelend, worden gemeten en gediskwalificeerd bij elkaar gezet.

Men hoeft er geen verhaal in te zien, zei Talia Berio, probeer het te begrijpen door de muziek te ondergaan. Maar willen begrijpen, proberen te ontdekken en een logische lijn aanbrengen, zijn voor de toeschouwer niet te onderdrukken aandriften. De muziek heldert tijdens de voorstelling niet veel op. Ik kijk naar de enscenering van de Duitse regisseur Claus Guth, die vaak de aandacht volledig opeist.

Dat is vooral het geval met de scène over de torenbouw van Babel. Op de rotswand wordt het beeld van een steiger geprojecteerd. Bouwvakkers beklimmen telkens een ladder, die niet hoog genoeg reikt en glijden weer naar beneden om weer opnieuw tevergeefs te proberen de hemel te bereiken. Ook al gebeurt er nog zo veel omheen, ik blijf ze volgen. Uiteindelijk komt daarvoor de beloning: ze veranderen in klimmende apen.

Door zulke aansprekende beelden vergaat de muziek grotendeels tot golven van grijzen. Dat komt ook omdat Berio's muziek deels bestaat uit stijlcitaten van eigen werk. Sinds Passagio (1963) heeft hij in `muzikale handelingen' als La vera storia, Un re in ascolto en Outis zijn eigen modernistische, maar altijd lyrisch georiënteerde stijl, gehandhaafd en verdiept. Instrumentale en vocale soli herinneren aan Berio's virtuoze serie Sequenza's.

Kitty Courbois

Misschien daarom, omdat ik veel al vaker heb gehoord, grift dit stuk met en over herinneringen, zichzelf niet muzikaal in mijn geheugen. Maar de vocale prestaties doen dat wel. De sterke en directe R-rol van Hildegard Behrens herinnert mij sterk aan de rauwheid van Kitty Courbois. Die muur is onvergetelijk, een passend beeld bij een ondoordringbaar mysterie. Men moet ook niet eens willen begrijpen, want de geschiedenis van de aarde en de mensheid vormt immers geen logisch verhaal.

Het slot van de voorstelling weerspiegelt het begin. Het koor heft een lied aan: `Fluit, dubbelfluit van de nacht. Wek vragen op in de nacht. Niemand antwoordt in de nachtelijke wind. Dan komt het vuur en na het vuur de stem van een langdurig zwijgen. Hang de vlag halfstok, herinnering. Halfstok voor nu en altijd.'

Hier doet Berio's muziek eindelijk zijn voorspelde werk. Het lied klinkt maar bedrukt en treurend. Er is weinig in de wereldgeschiedenis om over te juichen. Duidelijk weerklinkt Berio's klaaglijke fin de siècle-sentiment aan het eind van een gewelddadige eeuw, halverwege na alweer een gewelddadig jaar.

Achteraf, in de dagen na de voorstelling onbewust gravend in mijn gedachten en herinneringen, komen allerlei associaties op. Aan Schuldig landschap, de tv-film van Armando en Hans Verhagen over kamp Amersfoort. En aan de opera Naima (1985) van Theo Loevendie, waarin, net als in Cronaca del Luogo, het orkest in Carré in een muur was geplaatst. En waarin, net als in deze voorstelling, een troep straatmuzikanten optrad, waaronder een accordeonist. In Berio's La Vera Storia (`Het ware verhaal'), ook een stuk `zonder verhaal', kwam die accordeonist ook al voor.

Berio klaagde na de wereldpremière in de Italiaanse krant La Repubblica over de regie van Claus Guth, die zijn stuk een deprimerende uitstraling had gegeven. Deprimerend is deze voorstelling inderdaad, vaak zwart en kwaadaardig. Kennelijk wil Berio dat zelf niet, al geeft hij niet aan hoe de voorstelling er dan wel had moeten uitzien. Misschien, ook vanwege die straatmuzikanten en die accordeonist, had hij een minder Duitse en meer Italiaanse sfeer gewild. De sfeer van de films van Federico Fellini, waarin de slotscènes met de muziek van Nino Rota het menselijk leven bezien met weemoed.