Verlost door liefde om niets

Pinksteren vorig jaar bezocht ik voor het eerst Wittenberg. Het was een grijze, kille dag – ook tien jaar na de Wende nog dodelijk voor het humeur in een Oost-Europese stad. In de slotkerk, waar de deur met de 95 stellingen van Luther in brons gegoten bewaard wordt, had zich een dertigtal oudere vrouwen verzameld voor de dienst. Het orgel dreunde zo hard dat hun toch al zwakke stemmen niet meer te horen waren. De jonge predikant deed zichtbaar zijn best. Toch was de preek lang en onsamenhangend, en er werden onnavolgbare verbanden gelegd tussen Ionesco en de Heilige Geest. Terwijl de christelijke overlevering spreekt van de Heilige Geest als licht, warmte en troost, ontmoette ik in deze historische plaats niets dan kou en leegte.

Diezelfde vervreemding maakte zich van mij meester bij het lezen van Richard Marius' nieuwe biografie van Luther. Net zomin als de huidige slotkerk ons nog iets van het vuur van de Geest kan geven waarvan Luther zozeer vervuld was, zo is ook dit boek niet in staat de man tot leven te brengen. Marius doet zijn uiterste best om het hartstochtelijke geloof van Luther te begrijpen, maar hij verzucht al gauw dat eigenlijk alleen een fundamentalist in staat is om na te voelen wat Luther heeft bezield. Dat wil niet zeggen dat het boek een wetenschappelijke mislukking is. Marius heeft zijn leeswerk uitstekend gedaan. Hij heeft zich gestort in het onafzienbare oeuvre van Luther, hij vermeldt alle debatten rond zijn persoon, somt alle interpretaties op van zijn werk en kiest daarin een eigen positie. Maar als je dan in het nawoord leest dat de sympathie van de auteur veeleer ligt bij Erasmus dan bij Luther, voel je je als lezer toch lichtelijk bekocht.

Oorlogen

Helaas maakt Marius ook fouten. De zwaarste is dat hij Luther persoonlijk verantwoordelijk houdt voor de godsdienstoorlogen van de zestiende en de zeventiende eeuw. Hegel heeft al opgemerkt dat we in de geschiedenis streng moeten onderscheiden tussen doelgericht menselijk handelen en de onbedoelde gevolgen daarvan, die vaak historisch wel interessanter zijn, maar daardoor nog niet op het conto van de handelende persoon geschreven mogen worden. De biograaf moet juist proberen zich te verplaatsen in de persoon die hij beschrijft en dat betekent, onder meer, dat hij niet de voor die persoon nog onbekende toekomst kan oproepen als getuige à charge.

Ook met de beoordeling van Luthers persoon en optreden weet Marius zich niet goed raad. De meeste historici nemen tegenwoordig, in navolging van Lucien Febvre, aan dat in de zestiende eeuw atheïsme tot de onmogelijkheden behoorde, dat iedereen in die tijd, hoe dan ook, geloofde in God en in een geestelijke, onzichtbare wereld van engelen en demonen. Marius betwist dit. Hij keert terug tot het oudere standpunt van Jacob Burckhardt dat ongeloof wel degelijk mogelijk was in die tijd en maakt dat tot uitgangspunt van zijn beoordeling van Luther. Volgens hem was Luther nu juist een man die de mogelijkheid onder ogen heeft gezien dat God niet bestond en dat het menselijk leven moest uitlopen op het niets van de dood.

In tegenstelling tot de middeleeuwse theologen die overal in de wereld Gods sporen zagen en dus ook aanknopingspunten om met die God in contact te komen, was God voor Luther de grote afwezige in de wereld. Waar hij ook om zich heen keek, zag hij dat kwaad en lijden de overhand hadden, het meest van alles nog in zijn eigen hart. Als verstandig man moest Luther eigenlijk, aldus Marius, wel tot de slotsom komen dat God en het eeuwig leven illusies waren, zoals ook de Italiaanse humanist Pomponazzi in diezelfde tijd concludeerde. Om die vrees voor het niets te bezweren trad Luther in bij de Augustijner monniken. Maar hoe hij ook bad en vastte en God probeerde te vinden, hij bleef gekweld door angst voor de dood, voor hem het beste bewijs dat hij diep in zijn hart niet kon geloven dat er een God was die allen redde.

De grote ommekeer in Luthers leven kwam volgens Marius toen hij besefte dat die angst helemaal geen teken van ongeloof was, maar een onderdeel van de zondige natuur van de mens en van diens onmogelijkheid om tegenover God ook maar iets goed te doen. Nog sterker, die angst en twijfel waren eigenlijk het teken bij uitstek van Gods uitverkiezing. Juist de gekwelde ziel is door Gods onbegrijpelijke genade aangenomen, zij hoeft zich niet meer druk te maken over `goede werken' en hoeft niet langer de angst en twijfel in zichzelf te onderdrukken. Maar om die geloofssprong te kunnen maken moest Luther wel iets anders in zichzelf tot zwijgen brengen, namelijk de stem van de rede die de mogelijkheid bleef opperen dat er misschien helemaal geen genadige God bestond.En dat neemt deze biograaf Luther nu ontzettend kwalijk, waardoor hij hem uiteindelijk beschrijft als een scepticus die zichzelf overschreeuwde.

Hoogstaand leven

Voor wie godsdienst ziet als een betrouwbare en redelijke gids tot een sober, ingetogen en ethisch hoogstaand leven – en dat is ruwweg zoals Marius het ziet,samen met zijn Erasmus – moet Luther inderdaad volstrekt onbegrijpelijk zijn.Marius verraadt zichzelf het meest, als hij in een bijzin zegt dat de meeste mensen doorgaans ruim tevreden zijn met hun gedrag. Daaruit blijkt dat hij zich helemaal niet kan voorstellen dat er mensen bestaan die fundamenteel onzeker zijn en die, wat ze ook doen en hoe goed ze het ook doen, altijd het gevoel zullen hebben dat ze tekort schieten. Zo iemand was Maarten Luther.

Hoe hij zo geworden is, daarover is gespeculeerd door de psychoanalyticus Erikson in zijn beroemde Young Man Luther. Toch blijkt ook uit dat boek dat wij te weinig van Luthers jeugd en opvoeding afweten om betrouwbare conclusies te trekken. Maar het is een feit dat Luther een man was die, om welke reden dan ook, God alleen maar kon zien als de wrekende gerechtigheid, een Heer die goede daden wel beloonde, maar vooral slechte strafte. Dat betekende dus dat een mens almaar opnieuw goede dingen moest doen om Gods liefde te verdienen: gebeden uitspreken, versterven, op bedevaart gaan, de heiligen aanroepen, en natuurlijk aflaten verdienen. De aflaat was een soort goddelijke koehandel, gebaseerd op de veronderstelling dat Christus door zijn lijden oneindig veel verdiensten had verworven waaruit de gelovige een graantje kon meepikken door gebeden op te zeggen, te biechten en een goede daad te verrichten, zoals geld storten voor de nieuwbouw van de Sint Pieter in Rome. Zijn hele kloosterleven is Luther gebukt gegaan onder het idee dat je liefde moest verdienen, wat vooral blijkt uit zijn obsessieve en angstvallige gedrag in die periode. Maar wat hij ook deed, het was altijd te weinig. Hij bleef zich schuldig voelen.

Zijn grote ontdekking in de jaren 1512-1518 was dat je liefde niet kunt en niet hoeft te verdienen, maar dat ze de mens door God wordt gegeven, of onthouden natuurlijk. Met die laatste mogelijkheid heeft Luther zich nooit echt beziggehouden, pas Calvijn heeft uit Luthers bevrijdende ontdekking de consequentie getrokken dat verwerping de andere kant is van uitverkiezing. Luther heeft alleen de opluchting ervaren dat de innerlijke zekerheid van de mens niet ligt in wat hij dóet, maar in het eenvoudigweg in geloof accepteren dat God van mensen houdt, ondanks alles wat zij doen. Luther formuleerde het in theologische termen zo dat door Gods genadige liefde de mens gerechtvaardigd wordt, hoewel hij tegelijk zondaar blijft. In gewone woorden: liefde neemt mensen zoals zij zijn. Dat inzicht is nu even begrijpelijk als vierhonderdtachtig jaar geleden.

Richard Marius: Martin Luther. The Christian Between God and Death. Harvard University Press, xviii + 542 blz. ƒ79,40

    • Peter Raedts