Taal is tong, lippen, longen

In strenge jamben en dactylen zet Piet Gerbrandy de taal naar zijn hand.

Vierde aflevering in een korte serie gesprekken met dichters over een van hun eigen gedichten.

De gedichten in Piet Gerbrandy's bundel Nors en zonder haten hebben geen van alle een titel. Dan spreken ze meer voor zichzelf, vindt de dichter. Titels sturen de lezer maar. Het gedicht `In ruimten kruipen spinnen tussen buizen' is het laatste van de afdeling `Huizingen', waarin alle gedichten gaan over (kleine) ruimten.

Waarom het lidwoordloze meervoud `ruimten'?

Zo'n meervoud maakt het algemener, universeler. Ik wil uitspraken doen over hoe de werkelijkheid in elkaar zit, niet iets vertellen over een specifieke kruipruimte. Het heeft op deze manier meer filosofische pretentie, al kan ik die misschien niet waarmaken. Bovendien ontstaat er zo meer contrast tussen de universele eerste regel en de meer persoonlijke besluiten die verderop in het gedicht genomen worden.

De eerste regel zit vol binnenrijm, `ruimten' `kruipen' `buizen' heeft u dat gezocht?

Dat gaat meestal vanzelf en deze keer liet ik het maar staan. Ik moet eerder oppassen dat het niet te overvloedig wordt. De tweede en de laatste regel waren er het eerst, die rijmen ook helemaal. Als je veel klank of rijm gebruikt ben je jezelf aan het beperken, je sluit jezelf op in een kader. Nu past dat hier wel goed omdat het over een kleine ruimte gaat.

Wat is dat voor beest in de tweede regel? Het kan niet op die spinnen slaan.

Deze regel drukt een moment van ergernis en woede over het bestaan uit. Dat je het gevoel hebt dat iets je leven aan het vergallen is en dat je dat wilt bestrijden, als een soort ridder die de draak verslaat. Het zijn wezens die je belagen. Niet de spinnen nee maar stel je voor dat je in een kruipruimte zou moeten liggen... Dat is de ergste ruimte die ik me kan voorstellen.

Kun je `iemand vergallen'?

Gal is spul dat in je lijf zit, dus dat woord `gal' betrekt het op het lichaam, dat maakt het concreter. Taal is in de eerste plaats een fysiek verschijnsel, het heeft te maken met je tong, lippen, longen, mond.

Ik heb de neiging om woorden grammaticaal anders te gebruiken dan toegestaan. Wat ik wil is de taal in zoverre ontregelen dat de raarheid ervan je opvalt. Ik wil niet zover gaan dat het geraaskal wordt, al houd ik ook wel van raaskallen. Ik ben, om een term te gebruiken, aan het `de-automatiseren'.

Het gedicht bestaat helemaal uit twee-regelige strofes, op de laatste na. Was dat een voornemen?

Nee, het ging vanzelf. Ik vind vier regels per strofe ongeveer het maximum. Geen idee waarom. Twee of drie is een mooie geïsoleerde eenheid. Ik probeer ook wel eens wanhopig iets te maken dat niet-metrisch is, maar het wordt altijd toch jambisch of dactylisch.

Waarom wilt u zo wanhopig graag niet-metrisch zijn?

Omdat je je anders opsluit in je eigen maniertjes misschien. Daar gaat dit gedicht ook over. Over opgesloten zijn in je leven, je lijf etc. Ik heb grote bewondering voor dichters die regels schrijven van twee woorden en dan weer van achttien. Dat is vrijer. Maar ik kan het niet, juist die ritmische structuur maakt het gedicht, daarzonder gebeurt er niets in m'n hoofd. Ritme en klank, daar gaat het om. Je zou ook kunnen zeggen dat ik geen verbeelding heb.

Dit gedicht heeft niet één enjambement.

Het bleek gewoon dat die er niet in zaten. Daardoor heeft het iets drammerigs, het is heel retorisch. Ik heb niets tegen retoriek. Diep in m'n hart ben ik misschien wel die calvinistische dominee die ik vroeger wilde worden. Dan kon je elke zondag strenge en onbegrijpelijke teksten over de mensen uitstrooien.

U schrijft `elpen klippen' in plaats van `tanden'. Waarom?

Je kunt op de klippen lopen, dat is niet leuk. Hier zitten ze toevallig in je mond. De aanleiding is prozaïsch: toen ik nog niet zo lang saxofoon speelde trilden een voor een mijn vullingen eruit. Dan heb je in het begin van die scherpe rafelige kiezen, je kunt dan het best je mond houden, anders beschadig je je tong. `Elpen' is een favoriet woord van Bilderdijk, ik hou wel van 18de- en 19de-eeuwse woorden.

Bent u niet bang dat ze een gemaniëreerde indruk maken?

Als je ze een enkel keertje gebruikt wel, maar als je het aldoor doet, merkt de lezer vanzelf dat het geen ironie is. Het is een ander idioom waar ik de lezer aan wil laten wennen. Bovendien is `elpen' hier ritmisch beter dan `ivoren'. Het is toch een prachtig woord, `elpen'? Ik wil een taal hebben die helemaal van mezelf is.

U schrijft `tong' en `hoofd', zonder bezittelijke voornaamwoorden of lidwoorden, alsof het personen zijn.

Bezittelijke voornaamwoorden zijn bijna altijd overbodig en overbodige dingen moet je niet opschrijven. Ik gebruik in principe geen lidwoorden, behalve als ze er echt moeten staan. `Tong' en `hoofd' zijn meer vreemde dingen, objecten waarover je niets te zeggen hebt.

`Hoofd breekt zich', dat is weer een eigengereid gebruik van het werkwoord.

Het is korter, dat is een voordeel. En de lezer heeft ongetwijfeld de associatie met `zich het hoofd breken over', dus dat hoeft dan niet meer opgeschreven. Bovendien stel je je zo letterlijk een hoofd voor dat breekt van het nadenken.

Hebben goten pleisters?

Dat heeft ook weer een autobiografische achtergrond. Ik had een buurman van achter in de tachtig die verward begon te raken. Toen ik een keer de regengoten van mijn huis schoonmaakte belde hij me en vroeg: `Waarom haalt u toch die pleisters van die goten af?'

Ik vond het mooi gezegd. En op het moment dat je de pleisters ervan af haalt, kan het water erdoor. Dat zou winst kunnen zijn.

Wat betekent `iemand stillen'?

Het is een beeld voor iets dat angst aanjaagt. Dat mij tot zwijgen zal brengen. Het voorwerp kan ieder moment opvlammen want nu smeult het, dat is dreigend. Het woord `voorwerp' is angstaanjagend omdat je dan niet weet wat voor iets het is. Het kan van alles wezen.

Je zou aan een wapen kunnen denken, een pistool of zo?

Ja, aan zoiets heb ik gedacht.

`Ik wil ver heen mij nergens voort bewegen' is wel zeer compact geformuleerd.

Wat hier staat is ook inhoudelijk heel complex. Het gedicht is een verlangen naar bevrijding, verlossing. Ik wil ver heen zijn, zoals je bijvoorbeeld bent als je dronken bent, en ik wil dat zijn zonder me te bewegen. Ik wil niet weg. De paradox van het gedicht is dat je wil uitbreken uit een ruimte, die misschien ook het gedicht is, maar door alle structuren ben je gebonden aan die plek. Je kunt wel proberen uit te breken, maar de vraag is of dat helpt.

En dus gaat men op zoek naar een `bergzame' plek.

Dat is de enige dactylus in het gedicht. Daardoor wordt het juist weer minder herbergzaam. Het moet niet te huiselijk worden, het moet een beetje grimmig blijven. Je denkt bij `bergzaam' bovendien eerder aan opbergen dan aan herbergen, dus weer eerder aan voorwerpen. Als je het te menselijk maakt wordt het algauw een beetje geneuzel over hoe rot je je voelt, het wordt sentimenteel, te lievig. Dat is niet zoals ik tegen deze wereld aankijk.

Hoe `begaat' men een feest?

Zoals een misdaad of een misstap. Het is een vrij grimmige handeling. Meestal is het feest er en laat je het over je heen komen. Hier is het een kloek besluit. Het zal wel niet erg leuk worden. Waarschijnlijk komt er ook niemand. Je wilt je lot in eigen handen nemen, terwijl uit de formulering al duidelijk wordt dat dat niet lukt.

Kan het feest ook een gedicht zijn?

Dat kan. Hoewel ik gedichten schrijven geen feest vind. Het is iets wat me overkomt, er zitten woorden in je hoofd en die moet je kwijt. Ik heb ook een hekel aan werken aan een gedicht, dat vind ik zelfs een beetje gênant. Misschien omdat ik er geen greep op heb. Ik ben een willoze slaaf van mijn inspiratie.