Straatadvocaat spreekt taal van dakloze

Hulpverleners weten daklozen niet te bereiken. De `straatadvocaat' wel. Hij bezoekt hen op straat en spreekt hun taal.

,,Heb je André nog gezien'', vraagt straatadvocaat René van der Male aan de vrouw achter de toonbank, als hij gehaast de snackbar achter het Centraal Station in Rotterdam betreedt. ,,Sinds dit weekend niet meer'', antwoordt ze zonder op te kijken. ,,Koffie?'' Op een afstand `volgt' Van der Male André, die moeilijk benaderbaar is. Hij kijkt waar de man 's nachts uithangt, om nog voor de winter een geschikte slaapplaats voor hem te kunnen vinden. ,,Een schuurtje bijvoorbeeld, op de lange termijn'', bedenkt Van der Male voorzichtig.

Het dak- en thuislozencircuit bestaat slechts uit voornamen. Zonder een fractie van een seconde na te hoeven denken weet iedereen wie Jan is, of Nel, of Marcel. Achternamen zien ze als een inbreuk op hun privacy. De zwervers hebben geen adres, en familie of vrienden zijn ver te zoeken. Naar schatting meer dan drieduizend voornamen bevolken de straten, winkelcentra en parken van Rotterdam.

De `straatadvocaat' is ondergebracht bij het Basisberaad GGZ en is onafhankelijk van de gewone hulpverlening. Van der Male is nog de enige in Nederland. Utrecht krijgt er eind dit jaar ook een, die evenals Van der Male ,,het geluid van de dak- en thuislozen in de richting van de stedelijke politiek moet laten horen'', aldus een woordvoerder van de gemeente Utrecht.

De functie van straatadvocaat vloeide in mei 1997 voort uit een onderzoek van het Basisberaad GGZ, waaruit bleek dat dak- en thuislozen gemotiveerd zijn hulp te zoeken, maar dat ingewikkelde intake-procedures, dwang, of een te therapeutisch klimaat binnen de instellingen hulp voor deze mensen onbereikbaar maakt. Door de complexe problematiek worden de zwervers vaak doorverwezen van de ene naar de andere instantie.

Henk woont in een park. Onzichtbaar vanaf het zandpad en dus onvindbaar voor passanten, zit hij op `zijn' boomstam. Henk wil niet gevonden worden, zijn onaangepaste leven in de buitenlucht bevalt hem prima en ,,hij houdt niet zo van mensen''. Verveling is zijn grootste zorg, waardoor het wekelijkse bezoek van Van der Male een welkome afleiding is.

,,Ha die Henk'', zegt de straatadvocaat. Een hartelijk ,,Hé, jongen'' vertelt hem dat hij door kan lopen, door de struiken heen naar een open plaats die is afgeschermd door een boomstam en een fiets: de huiskamer van Henk. Van der Male vraagt of hij Bettie heeft gezien, maar Henk zegt dat zij in de winter voor het laatst gesignaleerd is: ,,Ze had een wit vestje aan en ze zei dat dat alles was wat ze nog had.'' Hij vraagt zich af of ze nog leeft.

De dak- en thuislozen zelf, buurtbewoners en vooral middenstanders zijn Van der Males belangrijkste bronnen om het doen en laten van de zwervers te achterhalen. ,,Hoewel zwerver eigenlijk een achterhaald begrip is. Ook mensen zonder dak boven hun hoofd zijn redelijk honkvast. Vooral de harde kern van ongeveer 750 daklozen heeft vaste routes en routines en vaak dezelfde slaapplaatsen.'' Henk woont al vijftien jaar in hetzelfde park.

De straatadvocaat is geen advocaat. Althans, niet in de juridische zin van het woord. Een geuzentitel is het, legt Van der Male uit. De titel verwijst naar de oorspronkelijke betekenis van het woord advocaat, namelijk het bijstaan van een persoon om diens belangen te verdedigen. De straatadvocaat behartigt de belangen van de Rotterdamse dak- en thuislozen door ze te wijzen op hun recht op een woning, medische verzorging en sociale voorzieningen. Of door een matras te regelen, te helpen een uitkering aan te vragen, of door gewoon regelmatig contact te houden.

In het geval van Henk is een gesprek en een kop koffie het enige dat Van der Male voor hem kan doen. Hij is immers straatadvocaat geworden om na te gaan waar de dakloze behoefte aan heeft en niet om te vertellen wat de hulpverlener denkt dat goed voor hem is. Een slaapplaats bijvoorbeeld. Van der Male: ,,Je slijt sneller op straat, maar daar kiest hij zelf voor.'' Hij zegt slechts twee daklozen te kennen die bewust voor hun zwerversbestaan hebben gekozen. Henk is er één van. De bank waarop hij altijd slaapt is doorgezakt. Van der Male informeert wel of hij een tent wil om in te slapen, maar voor Henk hoeft dat niet. Van der Male: ,,Op straat geldt de regel `voor wat, hoort wat', waardoor dak- en thuislozen niet gauw iets vragen.''

Van der Male spreekt uit ervaring. Na zijn eindexamen in 1976 trok hij anderhalf jaar lang van de ene naar de andere stad om met verschillende baantjes zichzelf in leven te houden en zijn slaapplaatsen te bekostigen. Maar als grootste ervaringsbron voor zijn werk ziet hij zijn ,,praktijkopleiding in de psychiatrie''. Steeds meer zwervers kampen met psychiatrische problemen en omdat hij zelf verschillende malen opgenomen is geweest in een kliniek zegt Van der Male de problemen van de dak- en thuislozen beter te begrijpen.

Op zijn kantoor in Rotterdam Noord krijgt Van der Male telefoon van een vrouw wier zoon dakloos is. De vrouw is radeloos. Ze heeft een uitkering, waar haar drugsverslaafde zoon een ruim beroep op doet. De straatadvocaat belooft met de hulpverlener van de zoon te gaan praten en haar de volgende dag terug te bellen. Hij pleegt nog een paar telefoontjes en aan het eind van zijn werkdag vertrekt Van der Male naar het nachtverblijf Havenzicht, waar elke dag om half zes de dak- en thuislozen in de rij staan voor een slaapplaats.

Van der Male heeft een fax gekregen van de ouders van een dakloze man die zich zorgen maken om hun zoon en zich afvragen waar hij uithangt. ,,Ben is iemand die tussen alle instellingen doorfietst en hierdoor moeilijk te benaderen is.'' Ook die avond is Ben door niemand gesignaleerd.

,,Je komt op straat als je je alleen niet meer kunt redden en geen sociaal netwerk meer hebt om dit op te vangen'', is de filosofie van Van der Male. ,,Hoewel iedereen zijn eigen verhaal heeft, is er bijna altijd sprake van verlies. Verlies van familie of vrienden, van een geliefde, een baan, of van ledematen.'' Dat niemand in Nederland op straat hoeft te leven is volgens hem een vooroordeel: ,,Op een gegeven moment kun je op straat komen te staan. Dan is het verdomd moeilijk om er weer van af te komen.''

(Om redenen van privacy zijn de namen van de daklozen gefingeerd.)