Statia

Vanuit zee gezien is St. Eustatius niet meer dan een rots in de vorm van twee wratten. St. Eustatius is trouwens de Nederlandse naam, wat betekent dat het behalve in officiële documenten door niemand zo wordt genoemd. St. Eustatius heet naar de naam die Columbus eraan heeft gegeven: Statia. Ik schat dat dit door zo'n kleine tweeduizend mensen bewoonde eiland wat kleiner is dan Schiermonnikoog.

Wij leggen aan in het haventje van Oranjestad. Maar het stadje zelf ligt hoger, aan het eind van de weg. Hier staan slechts een paar gebouwtjes, waaronder The Old Gin House Hotel en een wanordelijke winkel van de plaatselijke duikclub. De zon brandt op de huid en alles ademt hier naar een eeuwige zondagmiddag. Ik probeer mij voor te stellen hoe het hier driehonderd jaar geleden moet zijn geweest, toen er niet meer was dan een plek om aan wal te gaan, een kerk en het vooruitzicht dat het volgende schip over een half jaar zou aankomen.

Ik ben gewaarschuwd dat hier niets te doen is, maar ongetwijfeld is het juist daarom dat ik een kamer huur in The Old Gin House. Morgen zal ik ons schip uitzwaaien en alleen achterblijven. The Old Gin House wordt gerund door een paar jonge Nederlanders, die in het toerisme op Statia kennelijk brood hebben gezien. De tafeltjes zijn er keurig gedekt, de menukaart bevat Red Snapper en zuiglam uit Nieuw Zeeland. Het is alleen de enige plek op het eiland die geen uitzicht heeft op zee. Ik ben de enige gast, wat mijn behoefte om anoniem rond te scharrelen bemoeilijkt. Op de kamer staat een televisie die nergens op is aangesloten en op het nachtkastje vind ik een grote flitsspuit die duidelijk maakt dat ik 's nachts een strijd zal moeten voeren tegen de als muskieten vermomde stuka's.

Openbaar vervoer is hier niet en als ik meer van dit eiland wil zien, zal ik een auto moeten huren. Dat is in de Caraïben nooit een probleem. Er is altijd wel iemand die voor 25 dollar zijn eigen auto een dag wil missen. Een uur later komt een grote zwarte kerel in een kleine Daewoo de helling afgereden. Dit wordt mijn auto en hij vraagt of ik hem weer wil afzetten bij zijn huis. Wij rijden nu de kronkelweg omhoog en voor het eerst zie ik hoe het eiland zich langzaam verheft uit zee. Rotsen en meeuwen. Wat hebben Nederlanders uit Zierikzee en Enkhuizen hier ooit te zoeken gehad, en wat zoeken ze er nog?

De weg loopt langs een kerkhof met grafzerken, die tot pokdaligheid zijn verweerd. Dan rijden wij het dorpje in, een verzameling huisjes waarvan de meeste lang geleden zijn opgeknapt. Er is een dorpsplein, maar dat laten wij links liggen. Een straat verder rijden wij iets binnen dat zowaar op een nieuwbouwwijkje lijkt. Er wonen mensen, de was hangt buiten aan de lijn, maar het beton van de huisjes is nog grijs en ongeverfd. Was het geld op en wordt dit wijkje nu als `klaar' beschouwd?

De grote zwarte kerel overhandigt me de sleutels. Hoe denk ik het eiland te verlaten, vraagt hij. Met een van die kleine vliegtuigjes die dagelijks landen en weer vertrekken, antwoord ik. Mooi, laat de auto dan maar achter bij het vliegveld, dan haal ik hem wel weer op, zegt hij. Dan verdwijnt hij in een van de huisjes.

Waarheen? Ik begin te rijden in een willekeurige richting. Op een eiland kan men niet verdwalen. Als ik die twee wratten als oriëntatiepunten aanhoud, moet ik in principe langs de kust het eiland rond kunnen rijden – als er tenminste een kustweg is. Er beginnen gaten in het wegdek te vallen. Ooit moet dit een welvarend eiland zijn geweest, met volgestouwde pakhuizen langs de kade. Aan de hand van de antieke ankers die zijn opgedoken, heeft men opgemaakt dat de schepen tot ver in zee lagen te wachten om te worden gelost.

Van al die activiteit is niets meer over. Het Nederlands kolonialisme is hier een kwestie van volstrekte toevalligheid. Toen de handel voorbij was, en in de Verenigde Staten de strijd tegen de slavernij was beslist, mochten wij het eiland houden, eenvoudig omdat niemand het wilde hebben. Nederlandse kolonialen zijn in den vreemde nooit paleis- en universiteitsbouwers geweest. Een enkele kerk bouwden zij nog wel, maar voor de rest moest natuurlijk alles op een koopje.

(Wordt vervolgd)