Spiegels van het slachtofferschap

Elk land koestert zijn oorlogsmythes van slachtofferschap en zelfrechtvaardiging. Vergelijkingen zijn vaak taboe. Door een blik in de spiegel van een ander kunnen immers splinters of balken in eigen ogen zichtbaar worden. In Duitsland ontbrandde een Historikerstreit na een vergelijking tussen de vervolging van koelakken door Stalin en de jodenvervolging door Hitler. In de Verenigde Staten woedde een polemiek over de atoombom op Hiroshima. Nederland was op zijn beurt te klein toen J.E. Hueting in 1969 en L. de Jong in 1987 het begrip `oorlogsmisdrijven' in verband brachten met excessen tijdens de politionele acties. Zo draait eenieder rond in de vicieuze cirkel van zijn eigen nationale gelijk. Alleen een grensoverschrijdende aanpak kan een completer beeld van de oorlogsjaren geven. Rudy Kousbroek pleitte al in 1981 voor een Japans-Nederlandse tentoonstelling over de bezetting van Nederlands-Indië. De realiteit gebood echter dat zijn wens niet met slaande trom, maar alleen op kousenvoeten verwezenlijkt kon worden.

De bundel Beelden van de Japanse bezetting van Indonesië onder redactie van Remco Raben, verschenen bij de tentoonstelling `De Japanse bezetting van Nederlands-Indië herinnerd', heeft een internationale opzet en allure. Raben signaleert dat de Japanse bezetting van Indië een `vergeten' thema is in de publieke beeldvorming van alledrie de landen. In Nederland ligt het accent nog altijd op de Duitse bezetting, in Japan op de atoombom en de nederlaag, en in Indonesië op de voorbereiding van de onafhankelijkheid. In alledrie de landen ondervindt het nationale beeld ook concurrentie van belangenorganisaties die hun eigen visie naar voren schuiven, en van individuen die met indringende getuigenissen direct hun weg naar het nationale forum weten te vinden. Er zijn meer overeenkomsten tussen de drie landen: de rol van onderzoekers, de breuk die de jaren zestig veroorzaakten in het nationale oorlogsbeeld, en in Japan de groei van de economie als katalysator van een herdenking van de oorlog.

Een belangrijke gemeenschappelijke factor is de materiële betekenis van het gekoesterde slachtofferschap. Elsbeth Locher-Scholten wijst voor Nederland op de samenhang tussen de verzorgingsstaat, de politieke erkenning van psychisch leed, de totstandkoming van specifieke uitkeringsregelingen en het optreden van belangenorganisaties. Volgens Haruko Taya Cook kent Japan een soortgelijke verstrengeling van politiek, pensioenen en professionele lobby's, en ook in Indonesië vragen slachtoffers om uitkeringen, al vangen zij totnutoe bot. Oorlogsuitkeringen, hoe terecht ook, bevestigen het nationale beeld en hebben bovendien neveneffecten: rivaliteit tussen groepen slachtoffers, professionalisering van uitkeringsorganen en belangenorganisaties en onderzoek in de richting van nieuwe claims.

Uit de bundel blijkt voorts dat het beeld van het kamp als plaats van opzettelijke en veelvuldige mishandeling door Japanners niet eenduidig is. Utsumi Aiko constateert dat Nederlanders en Japanners geen van beide oog hebben voor andermans motieven, Koreanen en Indonesiërs incluis, en evenmin voor hun eigen rol als koloniale overheersers. Bij de Japanse legerleiding heerste zelfs een volslagen desinteresse voor het kampbeheer. Miyamoto Shizuo, de verantwoordelijke stafofficier, liet de rantsoenering geheel over aan de kampcommandanten en schuwde elke inspectie. Wel rekenden de Japanners tegen het einde van de bezetting op een stijging van het dodental; daarvoor werd een voorraad doodskisten aangelegd, die snel uitgeput raakte . Een Japanner die werkte bij het kampbeheer beschreef het zo: `Eerst moesten we opeens een heleboel kampen bouwen, toen moesten we een hoop kisten maken en toen was de oorlog voorbij.'

Op hun beurt toonden Nederlanders weinig belangstelling voor de Japanners. Uit een analyse van kampdagboeken door Mariska Heymans-van Bruggen en Raben blijkt bijvoorbeeld dat men over straffen door Japanse bewakers zelden schreef. Vergeleken met de dagboeken zijn de Japanse straffen in latere publicaties van geïnterneerden `verdikt' gepresenteerd, zoals de auteurs het uitdrukken. Zeker tegen het einde van de bezetting meden Japanners en Nederlanders in het kamp directe contacten zoveel mogelijk. In de strijd om het vege lijf die toen ontstond, kwamen de geïnterneerden elkaar het eerst tegen. Organisatie en handhaving van de onderlinge solidariteit en discipline waren zaken van levensbelang geworden.

In Japan kende het gangbare beeld van de oorlog de volgende elementen: de verantwoordelijkheid voor de nederlaag berust bij een militaire kliek, de rol van de keizer is boven elke kritiek verheven, de Japanners zijn, zeker na de bom, slachtoffers en de oorlog was gericht op bevrijding van de Aziatische volken van het Europese juk. Dit nationale beeld raakte omstreden door kritiek van Japanse historici en getuigenissen van buitenlandse slachtoffers. Consensus ontbreekt nu en gebaren van de Japanse overheid zijn daarom even voorzichtig als omstreden. Op individueel niveau herinneren Japanse Indië-veteranen zich Java en Sumatra als een paradijs, waaruit zij ruw zijn verdreven door wraakzuchtige Nederlanders.

Bij de Japanse bezetting denken sommige Indonesiërs op hun beurt nostalgisch terug aan hun vrijwillige studie in Japan of dienst in het Indonesische hulpkorps van het Japanse leger. Voor anderen waren het jaren van gedwongen militaire dienst (heiko), koeliewerk (romusha) of prostitutie (ianfu). De Japanse jaren werden al snel overschaduwd door de proclamatie van de Republiek, de onafhankelijkheidsstrijd en de gewelddadigheden die later volgden. Daarmee raakte de collaboratie van Soekarno en militairen als Soeharto in de vergetelheid. Vele invloedrijke Indonesiërs herinneren zich echter hoe plaatselijke collaborateurs in 1945 en 1946 het doelwit werden van wraakacties van de bevolking in de razernij van een sociale revolutie. De omgang met het Japanse verleden is volgens Frederick een teer punt voor het nieuwe bewind in Jakarta.

Deze unieke bundel bevat verder interessante bijdragen over herinneringen en beeldvorming in de films en literatuur van de drie landen, afgewisseld met veel foto's, getuigenissen en toelichtingen bij memorabilia. Door zijn internationale opzet nodigt de bundel uit om nationale grenzen van zelfrechtvaardiging en slachtofferschap te overstijgen en de bezettingsjaren te beschouwen in het bredere perspectief van dit Oostindisch drieluik.

Remco Raben (red.): Beelden van de Japanse bezetting van Indonesië. Persoonlijke getuigenissen en publieke beeldvorming in Indonesië, Japan en Nederland. Waanders/NIOD, 239 blz. Tot 1 januari 2000 F 39,50, daarna F 55,-

De tentoonstelling `Nederlanders-Japanners-Indonesiërs. De Japanse bezetting van Nederlands-Indië herinnerd' is tot 24 oktober te zien in het Rijksmuseum.