Roem en kwaliteit gaan niet altijd samen

De krantenlezer had de afgelopen week de grootste moeite om niet te kokhalzen. De voormalige beroepsworstelaar Bob Backlund is Republikeins kandidaat voor het Congres voor Connecticut, en andere notoire figuren uit dezelfde tak van `sport' hebben vergelijkbare plannen. Jerry Springer, volgens vele deskundigen de meest platvloerse van alle talkshowpresentatoren, maakt kans om Senaatskandidaat voor Ohio te worden, eveneens voor de Republikeinen. En dan is er natuurlijk nog Hillary Rodham Clinton – over platvloersheid gesproken – die zich gelijktijdig op het terrein van de kiezersgunst en op dat van de amateurpsychologie heeft gewaagd.

Op deze verschrikkingen kwam in de Wall Street Journal onmiddellijk commentaar van Tod Lindberg, de hoofdredacteur van Policy Review, onder de kop `Washington Goes Hollywood', die het heel aardig samenvat. Lindberg was vrij lang van stof, merendeels heel boeiend trouwens, maar zijn analyse kwam er in wezen toch op neer dat ,,de politiek allengs een werkterrein wordt voor bekende personen''. Hij schreef ook: ,,Bekendheid, in de vorm van vermaardheid, was vroeger weleens een bijproduct van de politiek. De nagenoeg onbekende mr. Smith kon naar Washington gaan en daar naam maken door zijn rake optreden. Tegenwoordig lijkt voor sommigen roem juist het doel van hun intrede in de politiek. Men gaat niet in de politiek om de hand aan de ploeg te slaan, maar om furore te maken.''

Dat is wel waar, maar het gaat nog niet ver genoeg. Door zich te concentreren op politici die dorsten naar roem, kiest Lindberg een te nauw blikveld. Wat hij beschrijft – ,,de nieuwe bekende-figurencultuur van Washington'' – is al treurig genoeg, maar het is slechts een afspiegeling, of een microkosmos, van de bekende-figurencultuur die op veel grotere schaal het hele land teistert. Zoals velen in de politiek eerder mikken op roem dan op een grote staat van dienst, zo zijn ook de mensen die hen kiezen niet meer in staat onderscheid te maken tussen bekendheid en bekwaamheid. Washington mag dan veel te veel inwoners tellen die louter bekend zijn omdat ze bekend zijn, bedenk wel dat loze roem precies de reden is waarom zij in de eerste plaats gekozen zijn.

,,Vroeger'', zo schrijft Lindberg, ,,viel aanzien hun ten deel die het best politiek bedreven, die er het verstandigst over spraken, die het best begrepen waar het eigenlijk om draaide. Een minister of een Congreslid was iemand die iets te vertellen had. Een journalist sjacherde in vertrouwelijke mededelingen, de standaardvaluta in dat wereldje. En een medewerker van de president die in het Oval Office in en uit liep – zo iemand was het middelpunt van het universum.''

Ja, maar zó goed was die goeie ouwe tijd nou ook weer niet. Natuurlijk kwamen mensen in Washington terecht die zich op eigen kracht hadden opgewerkt, van lokale baantjes, via ambten op deelstaatniveau, naar nationale functies, en die gaandeweg niet alleen hadden opgestoken hoe de politiek werkt, maar ook wat besturen nu eigenlijk inhoudt. Maar je had er ook politieke waterdragers bij, mensen die profiteerden van hun bekende naam of die hun gezicht meehadden – denk maar aan Warren Gamaliel Harding –, en corrupte opportunisten. Wij kunnen zonder overdrijving stellen dat de roep van roem, glorie en fortuin altijd sterker is geweest dan de roep van het geweten. In het tijdperk van de bekende persoonlijkheden klinkt die roep eenvoudigweg luider, en zijn zij die eraan gehoor geven beter zichtbaar.

Het grote verschil is niet dat mensen naar Washington komen om beroemd te worden – die zijn er altijd geweest –, maar dat zij aanspraak menen te kunnen maken op een openbaar ambt op grond van de roem die zij zich in een volstrekt ander beroep of een of andere vorm van recreatie verworven hebben – en dat de kiezers dat slikken. Veel bonter dan het idee dat beroepsworstelen een acceptabele voorbereiding is op een prominente positie in de politiek, kan het niet worden, maar dát is dan toch blijkbaar algemeen aanvaard, dankzij het opmerkelijke – en overigens niet louter betreurenswaardige – succes van Jesse `The Body' Ventura, en dankzij het trouwe, veelkoppige publiek dat bij worstelwedstrijden voor de buis zit. Met bekwaamheid voor ambten heeft dit verschijnsel volstrekt niets te maken; met simpele, onversneden bekendheid alles.

Dit geldt beslist ook voor de Senaatskandidatuur die Hillary Rodham Clinton maar blijft lanceren. Haar enige aanspraak op een ambt waarvoor men gekozen kan worden – haar enige aanspraak – is haar bekendheid. Als zij geen beroemdheid was, zou haar gooi naar een Senaatszetel voor een staat waar zij nooit heeft gewoond, evenmin serieus genomen worden als die van de kandidaat van de Platte-Aardepartij of van de Partij voor de Rechten van Marsmannetjes. Meningen heeft zij bij de vleet, al zijn ze merendeels halfbakken, maar over werkelijke ervaring in de tenuitvoerlegging van ideeën beschikt zij niet. Van de hervorming van de gezondheidszorg, waarmee haar man haar had belast, heeft zij helemaal niets terechtgebracht, vooral omdat zij met haar arrogante, botte manier van optreden de professionele politici op Capitol Hill – voorzover die er nog zijn – tegen zich in het harnas joeg.

De Democratische kiezers in New York liggen er blijkbaar geen moment van wakker. Zij bejubelen Hillary Clinton alsof zij Barbara Streisand is, of Martha Stewart. Sommige lezers zullen dat misschien passend vinden, aangezien de first lady op hetzelfde intellectuele niveau opereert als de genoemde giganten van de volkscultuur, maar dat maakt toch heus het afstotelijke schouwspel niet draaglijker van de New-Yorkse menigten die ademloos haar platitudes en onbenulligheden beluisteren, alsof ze zó uit de mond van Alexis de Tocqueville kwamen. En wat de steun uit medeleven betreft, die zij zich dankzij het weerzinwekkende optreden van haar weerzinwekkende echtgenoot laat aanleunen, die is werkelijk beneden alle peil: medelijden als kwalificatie voor een openbaar ambt.

Veroordeel dus gerust Hillary Clinton en de andere bekende gezichten die menen dat hun roem hun het recht geeft om het land te besturen, maar vergeet niet dat in ons stelsel gekozen politici nu eenmaal... gekozen worden. De fout, beste Brutus, ligt niet in onze sterren, maar in onze sterrenkijkers.

Jonathan Yardley is redacteur van The Washington Post.

© LAT-WP Newsservice

    • Jonathan Yardley