Recht op euthanasie bestaat niet

Het recht op euthanasie begint langzamerhand een feit te worden. Onder invloed van enkele baanbrekende uitspraken van de Hoge Raad is er een praktijk ontstaan waarbij een arts, mits hij de euthanatische handeling zorgvuldig uitvoert, gevrijwaard is van strafvervolging. In het wetsvoorstel `Toetsing levensbeëindiging', dat begin deze week naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt deze praktijk nu ook wettelijk vastgelegd voor minderjarigen. Een ernstig ziek kind van twaalf tot zestien jaar krijgt het recht, tegen de wens van zijn ouders in, zelf over de beëindiging van zijn leven te beslissen.

Ongetwijfeld bestaan er situaties waarin de fysieke en/of geestelijke nood zo groot is, dat de dood als enige of beste uitweg wordt gezien. In zo'n situatie is een verzoek tot levensbeëindiging, geuit door de noodlijdende patiënt of een naaste verwant, niet meer dan begrijpelijk en ook legitiem. De vraag is echter of van degene die het verzoek om euthanasie moet honoreren mag worden verlangd dat hij een ander om het leven brengt. Als het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, dan kan er ook nooit een recht (in juridische zin) op euthanasie bestaan.

Een van de grondgedachten van een rechtssysteem is dat er alleen een recht (van de een) bestaat, als er ook een plicht (van een ander) tegenover staat.

Uit deze grondgedachte volgt dat er nooit een juridisch recht op euthanasie kan bestaan, omdat hier moreel gezien nooit een juridische plicht tegenover mag staan. Zoals Willem-Jan Otten aangeeft in zijn essay `Over de erfzonde' (NRC Handelsblad, 24 december 1996), kan nooit de juistheid van een levensbeëindigende handeling worden vastgesteld: ,,Niemand die iemand helpt bij sterven kan ooit weten of hij het juiste heeft gedaan.'' Niemand mag er daarom toe worden gedwongen (in fysieke, juridische, psychologische of morele zin) die beslissing ten uitvoer te brengen. Artsen en verpleegkundigen worden op onaanvaardbare wijze in gewetensnood gebracht, wanneer zij verplicht zouden worden een dusdanig ingrijpende handeling te verrichten. Bovendien is die handeling in strijd met hun wezenlijke taak: het instandhouden van het menselijk leven. Het recht mag een arts of een verpleegkundige die terugschrikt voor de onherroepelijkheid van zijn daad, er nooit toe dwingen de `verlossende' handeling te verrichten. Zodra men erkent dat er geen plicht tot doden bestaat, aanvaardt men tegelijk dat het recht om te worden gedood nooit wettelijk verankerd kan worden.

Dit betekent niet dat een terminale patiënt (of een naaste verwant) niet een arts of een verpleegkundige mag verzoeken zijn ondraaglijk lijden te beëindigen. Hij kan dat echter nooit juridisch afdwingen. Wanneer een arts of een verpleegkundige op dat verzoek zou ingaan met inachtneming van alle procedurele zorgvuldigheid (wat in bepaalde gevallen moreel verdedigbaar kan zijn), wordt echter niet opeens een recht in het leven geroepen: het blijft, vanuit de optiek van de verzoeker, een gunst. Het is voor een patiënt ongetwijfeld frustrerend te weten dat hij geen aanspraak mag maken op een levensbeëindigende handeling, maar dit valt te prefereren boven een situatie waarin zo'n aanspraak (onder zekere voorwaarden) automatisch gehonoreerd moet worden.

Om deze `mechanisering van het wereldleed' tegen te gaan, moet euthanasie niet als een recht maar als een gunst worden aangemerkt: uit de logica van het recht volgt immers dat het recht van de een noodzakelijk verbonden moet zijn met de plicht van de ander, terwijl aan een gunst per definitie geen plicht ten grondslag ligt. Gunsten dienen in dit verband niet te worden beschouwd als paternalistische daden van een bovengeschikte ten opzichte van een ondergeschikte, maar als handelingen waarbij de een een waardevolle dienst (het geven van een kus, een geschenk, een compliment enzovoorts) bewijst aan de ander die deze zichzelf niet kan of wil bewijzen, zonder dat hij hiertoe op welke manier dan ook verplicht is. In geval van euthanasie gaat het om een dienst die een verpleegkundige of een arts in zeer bijzondere omstandigheden kan verlenen uit mededogen met zijn patiënt en waartoe hij op morele gronden nooit gedwongen mag worden. Wel heeft de patiënt recht op verlichting van zijn lijden (ofwel palliatieve zorg); dit is echter nog geen recht op een finale verlossing uit dat lijden.

Dr. B.M.J. van Klink is als universitair docent verbonden aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Brabant.