Peper wil `discussie' over verantwoording ministers

De rol van de overheid is niet meer duidelijk, schrijft minister Peper in een essay. En toch wordt de minister op alles aangesproken.

Minister Peper (Binnenlandse Zaken) wil een `volwassen discussie' voeren over de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat blijkt uit zijn essay, met de titel Op zoek naar samenhang en richting. Peper stuurde het vertrouwelijke stuk een dag na de informele ministerraad in het Catshuis half juli, naar zijn collega's.

Volgens Peper is de overheid `vergruisd'. Hij stelt dat door privatiseringen en de groei van zelfstandige bestuursorganen de rol van de overheid onduidelijk is geworden. Tegelijkertijd kunnen `kwetsbare' ministers nog altijd op alles worden aangesproken. ,,Die spanning leidt tot veel wrijvingswarmte, publiek ongemak en politieke onvrede'', constateert Peper.

Volgens Peper is de parlementaire enquête Bijlmermeer illustratief voor het feit dat tal van gebeurtenissen waarvoor ministers verantwoordelijk zijn, zich buiten hun gezichtsveld afspelen. ,,Zo kunnen relatief bescheiden `missers' tot ernstige repercussies leiden'', stelt hij. Volgens Peper is daarbij vrijwel altijd de conclusie dat ,,de formele ministeriële verantwoordelijkheid niet of niet geheel kan worden worden waargemaakt en in toenemende mate fictief is.'' Vaak wordt maar één minister aangesproken, aldus Peper, terwijl meerdere bewindslieden en `min of meer autonome organisaties' verantwoordelijk zijn. Dit schaadt het beeld van de overheid bij burgers. Een terugtredende overheid én vasthouden aan een ruime, onbegrensde uitleg van de politieke verantwoordelijkheid, ,,blijkt in de politieke praktijk een moeilijk te hanteren combinatie.''

Peper merkt als `nieuweling in het Haagse' op, dat ook de ,,politiek-bureaucratische vervlechting tussen regering en parlement'' het zicht vaak ontneemt op wie waarvoor verantwoordelijk is. Volgens Peper leiden deze spanningen tot de vraag ,,of niet een nieuwe invulling kan worden ontwikkeld ten aanzien van de ministeriële verantwoordelijkheid. Kan het begrip van een nieuwe inhoud worden voorzien, zonder de fundamentele betekenis ervan voor het politieke stelsel aan te tasten?''

Het zou volgens Peper logisch zijn om een bepaalde `foutenmarge' in de ministeriële verantwoordelijkheid ,,als feitelijkheid te aanvaarden.'' Het politieke debat zou dan niet zozeer over de verantwoordelijkheid voor incidentele fouten moeten gaan, ,,maar over de marge die als acceptabel wordt ervaren en over de vraag of bepaalde zaken niet die discretionaire ruimte van de ministeriële verantwoordelijkheid te buiten gaan.''

Peper komt hiermee een eind in de richting van secretaris-generaal Geelhoed van Algemene Zaken. Ambtenaren zouden volgens Geelhoed verantwoordelijk moeten zijn voor incidenten in de beleidsuitvoering. Pas bij structurele tekortkomingen zou de politieke verantwoordelijkheid in het geding moeten komen, zo schreef Geelhoed vorig jaar in een interne notitie voor de ambtelijke top bij de rijksoverheid. Anders dan Geelhoed vindt Peper dat ambtenaren die fouten maken sneller ontslagen moeten kunnen worden.

Peper houdt tevens een pleidooi voor meer visie en leiding in de politiek, in een samenleving die steeds meer `horizontaal' is georganiseerd en waarin gezag niet meer vanzelfsprekend is. ,,Gezaghebbend richting geven, dat zal de opdracht zijn'', schrijft hij. Volgens Peper is er ten onrechte sprake van ,,aarzeling en gêne'' ten aanzien van leiderschap. De noodzaak van politieke vernieuwing wordt aan het oog onttrokken omdat het economisch goed gaat met Nederland, meent hij. De vorming van een ,,op de maatschappelijke vragen gebaseerd kernkabinet'' is daarbij een optie die verkend moet worden, aldus Peper.