Lopen als een koel zomerbriesje

`Move over Arundathi Roy, Salman Rushdie and Vikram Seth!' Met veel bravoure lanceren uitgevers de nieuwe Engelstalige literatuur uit India. Opvallend is de poging het werk van de debutanten stilistisch te onderscheiden van grote succesvolle Indiase schrijvers. Zo zou Raj Kamal Jha's De blauwe beddensprei zich kenmerken door een `on-Indiase' stijl en Ruchira Mukerjee's Toad in my Garden door een `intieme' wijze van vertellen, terwijl Manju Kapur met Difficult Daughters, tegen de dominante stroom in, zou kiezen voor het `realisme'.

Het opmerkelijkste debuut is De blauwe beddensprei, een roman over een wat oudere man die de baby van zijn overleden zuster in huis krijgt. Terwijl hij op het meisje past, schrijft hij familieherinneringen voor haar op, zodat ze op een dag kan lezen waar ze vandaan komt. Hij geeft zichzelf noch anderen een naam, maar benoemt ze in termen van hun familierelatie: zijn vader, moeder en zus. Want, zo meent hij, namen doen er niet toe in Calcutta, een stad met twaalf miljoen mensen. Identiteit verkrijg je niet door je naam, maar door de geschiedenis van je familie. Zijn familiegeschiedenis is getekend door incest: vader misbruikt zijn kinderen, broer en zus beleven hun eerste seks met elkaar onder een blauwe beddensprei en zus belandt in bed met haar schoonmoeder die `met haar tong alle sporen wegveegt van de indringer'.

De blauwe beddensprei boeit door de choquerende inhoud, de absurde opeenstapeling van incestueuze affaires. Jha schrijft niet vanuit de emoties van de personages, maar eerder afstandelijk in een visuele stijl. Soms levert dat mooie zinnen op, bijvoorbeeld wanneer de gewassen blauwe beddensprei vergeleken wordt met een `verkreukelde natte hemel'. De blauwe beddensprei had geslaagd kunnen zijn, ware het niet dat Jha geen maat kent en elk voorwerp of kledingstuk van de kleur blauw, rood, geel, wit of zwart voorziet. Bijvoorbeeld: `Achter in de zaal zie ik de politiemannen, in zwart en wit, en zie ik jou, huilend in de armen van de inspecteur, een dag oud, een blauwe handdoek om je heen gewikkeld. Achter je zie ik haar op de baar liggen, met wit bedekt.'

Hoewel Toad in my Garden ook over incest gaat, is Ruchira Mukerjee veel meer gericht op de innerlijke belevingswereld van haar personages. In Toad in my Garden worden twee parallelle liefdesgeschiedenissen verteld. De eerste is die tussen de romantische tiener Megha en haar oudere neef Nilu. Hij is getrouwd en heeft kinderen; zij probeert door middel van het lezen van Britse dichters als Keats grip te krijgen op de liefde. Dan is er het huwelijk tussen Damyanti en Beno Madho, beiden van middelbare leeftijd. Beno slaat zijn vrouw en bedriegt haar; Damyanti lijdt hieronder, maar komt niet in opstand. Ashwin, een jonge geëmancipeerde man, huurt op een dag een kamer bij haar, en stimuleert haar om haar zangtalent te ontwikkelen.

Beide vrouwen maken een groei door: Megha blijft dromen, maar niet op escapistische wijze en Damyanti ontpopt zich van huishoudelijk slaafje tot een vrouw die de afwasborstel in haar mans handen duwt. De twee verhalen ontmoeten elkaar in een zoet sprookjesachtig einde: Megha en Ashwin worden verliefd op elkaar. Een vrouwelijk overwinningsgevoel wordt de lezer echter onthouden. Pas dankzij de jonge moderne Aswhin durven de twee vrouwen eindelijk voor zichzelf te kiezen.

Toad in my Garden is niettemin een prachtig boek, en dat heeft alles te maken met de poëtische stijl van Mukerjee. Personages lopen bij haar niet een kamer binnen, maar komen binnenwaaien, dwarrelen en glijden als koele zomerbriesjes, warme regen of kleffe zomeravonden. Stemmen klinken als de wind die de takken op en neer doet deinzen of als scherp gras dat over een mensentong rolt. Mukerjee is zich, net als de overige debutanten, wel sterk bewust van haar Westerse leespubliek: een knappe Indiase man wordt voorgesteld als een `oriental Paul Newman' en achterin het boek staat een woordenlijst met de vertaling van Indiase woorden.

Net als Mukerjee behoort Manju Kapur tot de feministen die geweld en onrecht tegen vrouwen aan de kaak stellen. Kapur kiest, weinig origineel, voor het recept van `drie generaties vrouwen'. Getroubleerde dochter met huwelijksproblemen duikt in het verleden van haar moeder en oma en stuit op een schokkende geschiedenis. We schrijven India, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Virmati, een mooie jonge vrouw, weigert te trouwen en kiest, zeer ongebruikelijk, voor studeren. Ze wordt aangemoedigd door een getrouwde professor, met wie ze een affaire begint. Virmati maakt tegelijkertijd de opkomende vrouwenbeweging van nabij mee, maar kan zich niet echt interesseren voor politieke zaken. Ze denkt dag en nacht aan de professor. Op haar verzoek trouwt hij met haar. Haar leven als bijvrouw blijkt hard. Verstoten door haar familie en als vuil behandeld door de eerste vrouw van de professor en diens familie, verandert ze van een levenslustige studente in een verbitterde en cynische vrouw. Soms studeert Virmati, en dan is ze gelukkig.

Difficult Daughters, genomineerd voor the Commonwealth Writers Prize for the Best First Book, lijkt op een antropologische studie, waarbij je het schema van de familierelaties nog boven het bureau van de schrijfster ziet hangen. Het gegeven van bigamie wekt nieuwsgierigheid, maar stilistisch is Difficult Daughters zo onbeholpen dat de belangstelling al snel verdwijnt. De professor schrijft aan Virmati: `Schat! Als je eens wist hoeveel moeite het me kost om ook maar een beetje minimaal te functioneren! Alleen door jouw brieven, die ik voortdurend lees en herlees, voel ik mij volledig man!' Kapur mist de visuele zeggingskracht van Jha of de galante taal van Mukerjee.

De blauwe beddensprei, Toad in my Garden en Difficult Daughters: visuele nachtmerrie, goed geschreven sprookje en antropologische reality-soap. Wat stijl betreft verschillen ze als dag en nacht, maar alle drie getuigen ze van een bevrijdingsideaal. Ze zijn gericht op het openbreken van de taboesfeer rondom seksuele relaties en komen in opstand tegen wat in Toad in my Garden getypeerd wordt als een cultuurtrek van de Indiase bevolking die de emancipatie van mannen en vrouwen dwarsboomt: de verheerlijking van het lijden.`They'll let anybody walk all over them, just so long as they can reveal some fine, useless, motive like honour or chivalry deep down inside'.

Difficult Daughters heeft de simpelste boodschap. Vrijheid voor vrouwen betekent de mogelijkheid tot studeren, terwijl vrijheid in Toad in my Garden juist gezocht moet worden in het aanscherpen van de verbeelding, het lef om te durven dromen. Dat geldt ook voor de De blauwe beddensprei, maar wranger. Want zijn de dromen het babymeisje niet al ontnomen door de familiegeschiedenis waarin zij terechtkomt? De enige uitweg blijft te schrijven waarover je zou moeten zwijgen, en je te concentreren op een aangename visuele voorstelling, een blauwe beddensprei bijvoorbeeld, die lijkt op een fantastische sterrenhemel.

Raj Kamal Jha: De blauwe beddensprei. Uit het Engels vertaald door Jelle Noorman.Meulenhoff, 174 blz. ƒ34,90

Ruchira Mukerjee: Toad in my Garden. Picador, 218 blz. ƒ49,95

Manju Kapur: Difficult Daughters. Faber and Faber, 282 blz. ƒ24,95 (pbk)

    • Stine Jensen