Liefhebbers van de gereformeerde kerk

De moderne geschiedwetenschap is ontstaan in de negentiende eeuw, in een tijd dat de wording van de nationale staat als het eigenlijke onderwerp van de geschiedenis werd beschouwd. Het vak heeft dat `vaderlandse' stempel eigenlijk nooit goed van zich af kunnen schudden. Vandaar ook de vele herdenkingen, waarvan geschiedschrijvers brood eten, alleen al in 1998 de Vrede van Munster (1648), de Staatsregeling van 1798, de Grondwet van 1848 en honderd jaar koningin Wilhelmina (vijftig jaar Juliana werd niet herdacht).

In 1998 was het ook vijfhonderd jaar geleden dat Friesland werd opgenomen in het geheel van gewesten die samen Nederland zouden gaan vormen. Dat was aanleiding voor een feestelijke herdenking en het onvermijdelijke historische congres. In het geval van de Friese herdenking is het nationale sentiment echter dubbelzinnig, want wat Nederlanders vieren, betreuren de Friezen. De opname van Friesland in het Nederlandse staatsverband betekende het einde van de fameuze Friese vrijheid. Dat het Friese nationalisme nog niet helemaal dood is, bleek toen de kerk, waar de bijeenkomst werd gehouden, moest worden ontruimd na een bommelding uit die hoek.

Het bijzondere van de nu verschenen congresbundel is dat van deze nationalistische benadering niets te merken is. In Fryslân, staat en macht worden twee eeuwen Friese geschiedenis behandeld in een kader dat veel ruimer is dan bij dergelijke herdenkingen gebruikelijk is. In de eerste bijdrage wordt de annexatie van Friesland beschreven als onderdeel van het bredere Europese staatsvormingsproces, in een tweede bijdrage wordt de staatsvorming in Friesland vergeleken met de ontwikkeling van die andere boerenrepubliek, Zwitserland. In een derde bijdrage wordt de pre-Saksische Friese samenleving als een `vetemaatschappij' gekarakteriseerd. Een opstel over de Friese adel begint met de Europese adel van het ancien regime en maakt gebruik van antropologische begrippen als politieke cultuur, eer en reputatie.

Buitengewoon verhelderend is de bijdrage van Jan de Vries, die de economische ontwikkeling van Friesland analyseert als een geval van modernisering, een success story op basis van `moderne' elementen die al in de Middeleeuwen aanwezig waren. De twaalf bijdragen bieden samen een goed en redelijk samenhangend overzicht van de Friese geschiedenis tussen middeleeuwen en nieuwe tijd. Ze maken duidelijk hoezeer de geschiedwetenschap zich inmiddels heeft geëmancipeerd van zowel nationaal als regionaal chauvinisme.

Eén van de bijdragen is een korte samenvatting van het magnum opus van de Friese historicus Wiebe Bergsma over de opbouw en ontwikkeling van de gereformeerde of hervormde kerk in Friesland gedurende de eerste zeventig jaar van haar bestaan. Het is nog steeds een hardnekkig misverstand dat ons land – en Friesland in het bijzonder – tijdens de Gouden Eeuw een `calvinistische' samenleving was. `Wij Nederlanders weten beter', schreef Huizinga al. Bergsma betoogt op grond van uitputtend onderzoek in de bronnen dat de overwinning van het gereformeerd protestantisme ook hier allesbehalve volledig was.

Het lijvige Tussen Gideonsbende en publieke kerk telt maar liefst negentien bijlagen, waarin onder meer een overzicht van de aantallen kerkelijke lidmaten in alle Friese steden en dorpen. Ook vindt men hier voor elke plaats gegevens over de toestand van de katholieke kerk vóór de Reformatie, over de komst van de eerste predikant, de aanstelling van schoolmeesters, gemeentevorming, concurrerende activiteiten van Doopsgezinden en wat dies meer zij.

Met behulp van deze indrukwekkende databank concludeert Bergsma dat het aantal Friezen dat zich in de beginjaren van de Reformatie bij de gereformeerden aansloot uiterst gering was, en dat de gereformeerden ook in latere generaties een minderheid bleven. Wel groeide in de loop van de zeventiende eeuw het aantal belijdende lidmaten. Met inbegrip van hun kinderen die nog geen belijdenis hadden gedaan vormden de lidmaten in Frieslands elf steden rond het midden van de zeventiende eeuw misschien vijftig of zestig procent van de bevolking, maar op het platteland was die groei veel geringer. Rekening houdend met zo'n tien procent katholieken en twaalf tot veertien procent doopsgezinden, laat Bergsma zien dat een aanzienlijk deel van de bevolking niet bij enig kerkgenootschap was aangesloten. Zo bevonden zich onder de gebruikers van stemgerechtigde boerderijen in Jorwerd in 1640 slechts één gereformeerd lidmaat en veertien `kerkgangers', naast twaalf papisten, zes volgelingen van Menno, vier `twijfelaars' en één `neutralist'. Dat is een weinig indrukwekkende score na zestig jaar door de overheid gesteunde reformatorische activiteit. Bovendien laat Bergsma zien dat de onkerkelijkheid aan het begin van de negentiende eeuw, anders dan men doorgaans aanneemt, nog niet was afgenomen.

Essentieel is het onderscheid tussen `lidmaten' en `liefhebbers' van de gereformeerde religie. De eersten deden belijdenis, onderwierpen zich aan de kerkelijke tucht die werd uitgeoefend door de kerkenraad en namen enkele malen per jaar deel aan het avondmaal. Zij vormden de eigenlijke gereformeerde gemeente, een Gideonsbende, zoals Bergsma hen noemt. Een groter aantal Friezen liet wel zijn kinderen gereformeerd dopen en woonde ook min of meer regelmatig de preek bij, maar weigerde zich te onderwerpen aan het gezag van de kerkenraad, die ze smalend de `Geneefse inquisitie' noemden. Zij werden dan ook niet tot de avondmaalstafel toegelaten. Over de religieuze opvattingen van deze `liefhebbers' komen we heel weinig te weten. Onder de lidmaten vormden vrouwen overal een opvallende meerderheid.

Uiteindelijk is het Bergsma niet te doen om de aantallen, maar om de mentaliteit, het religieuze denken en – vooral – het religieuze gevoel. Waarom besloot de ene Fries zich bij de publieke kerk aan te sluiten en de andere zich – zoals dat heette – van de tafel des Heren te onthouden? Ondanks de imposante massa biografische gegevens die Bergsma aandraagt, weet hij op deze vraag eigenlijk geen antwoord te geven. De bronnen leveren onvoldoende informatie over die individuele religieuze keuzes. Misschien is zo'n vraag in zijn algemeenheid ook wel niet te beantwoorden. Wel laat hij zien dat de gereformeerde kerk ondanks haar bevoorrechte positie nog steeds de mentaliteit van een bedreigde minderheid met zich mee bleef dragen. Onverdraagzaam jegens andersdenkenden, op het paranoïde af, beducht voor katholieken en andere religieuze dissenters, riep die kerk bij velen weerstand op. Misschien was het wel die `liefdeloosheid' – zoals Bergsma de geesteshouding van de gereformeerde dominees typeert – die veel Friezen ervan weerhield belijdend lidmaat van de kerk te worden.

Om zijn verhaal te onderbouwen heeft Bergsma een grote hoeveelheid materiaal opgetast – zoveel, dat het boek er soms onder dreigt te bezwijken. Door de wat rommelige opbouw, het overvloedige gebruik van citaten en het grote aantal herhalingen is het niet altijd eenvoudig de lijn van zijn betoog vast te houden. Tussen Gideonsbende en publieke kerk is vanwege de gedetailleerdheid, de lange periode die het bestrijkt en het omvangrijke gebied dat bestudeerd is, een belangrijk en vernieuwend boek. Met de hulp van een strenge redacteur had het ook een leesbaarder boek kunnen zijn.

J. Frieswijk, A.H. Huussen jr., Y.B. Kuiper, J.A. Mol (red.): Fryslân. Staat en macht 1450-1650. Bijdragen aan het historisch congres te Leeuwarden van 3 tot 5 juni 1998. Verloren/Fryske Akademy, 245 blz. ƒ44,-

W. Bergsma: Tussen Gideonsbende en publieke kerk. Een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland, 1580-1650. Verloren/Fryske Akademy, 652 blz. ƒ130,–