Indische schemerjaren

De advocaat, de controleur, de controleursvrouw en de dochter van de Javaanse regent van Bandoeng: allen hebben ze een verhaal over de nadagen van Nederlands-Indië. Maar hun generatie wordt ouder en slinkt zienderogen. Indische dagboeken, memoires en brieven verschijnen misschien wel daarom in steeds hogere frequentie.

We herinneren maar voort. Er komt geen eind aan de Indische boekenstroom. De Nederlandse verbanning uit het Indische paradijs houdt de uitstervende groep betrokkenen in toenemende mate bezig – en laat de rest van Nederland vermoedelijk koud. De boeken worden geschreven en gelezen door een krimpende kring van oud-Indischgasten en hun nazaten. Tot nu toe verschenen er dit jaar al niet minder dan vier autobiografische geschriften over Indië en Indonesië, drie van Nederlanders, één van een Indonesische. Ze bieden een weidse blik op de ondergang van de Nederlandse kolonie, de Japanse bezetting en de revolutiejaren.

Het meest opvallende boek is Niet louter kleine toegenegenheden van Minarsih Soedarpo. Opvallend, omdat memoire-literatuur in Indonesië niet erg ontwikkeld is. De meeste autobiografieën zijn geschreven door leidende politieke en militaire figuren, mannen van gewicht, met meestal een geschiedenis in de onafhankelijkheidsstrijd. En nu hebben we hier een egodocument van een Indonesische vrouw. Weliswaar geen gewone Indonesische vrouw: Minarsih was de dochter van de regent van Bandoeng Wiranatakoesoema en de onderwijzeres en vrouwenactiviste Sjarifah Nawawi.

Minarsih (`Mien') bewoog zich als opgroeiend meisje in kringen van de inheemse elite in Nederlands-Indië. Haar vader was een trouw dienaar van het Nederlandse gezag, haar moeder had vele Nederlandse vrienden. Dat aan de Nederlandse overheersing een spoedig einde kon komen, lijkt bij hen niet te zijn opgekomen. Op 9 maart 1942, een dag na de Nederlandse capitulatie, schreef Mien in haar dagboek: `Zou ik dan niet blij zijn met een uitsluitend Indonesische regeering, of ben ik zo onverschillig, omdat ik het onmogelijke ervan inzie? Ben ik dan zo Hollands opgevoed? Heb ik dan heelemaal geen idealen van een vrij Indonesia?' Waar zijzelf twijfelt, neemt het Japanse bestuur de Indonesianisering wel ter hand. Minarsih gaat zich Javaanser kleden en went zich eraan Indonesisch te spreken. Haar vader was bekend als een Nederlandervriend en de familie wordt in de gaten gehouden. Het loyaliteitsconflict, de twijfel, de taalbreuk: het moeten toch gevoelens zijn geweest die vele Indonesiërs, vooral uit de elite, in de eerste bezettingstijd hebben gehad. Naarmate de bezetting duurt, wordt de ongerijmdheid van welk koloniaal bestuur dan ook steeds duidelijker. Pas vanaf 1 januari 1945 schrijft Minarsih haar dagboek in het Indonesisch en wordt ze, na de onafhankelijkheidsverklaring, actief voor de Republiek. Zij heeft een omslag gemaakt van Nederlands-georiënteerd HBS-meisje naar zelfbewuste Indonesische.

Kaartavondjes

Een geheel ander beeld biedt Oet Schulte Nordholt-Zielhuis' Het dagelijks leven in Indië. In haar brieven, die de jaren 1937 tot 1947 bestrijken, doet Oet verslag van het dagelijkse leven van een controleursvrouw in geïsoleerde posten op de eilanden Soembawa, Flores en Timor. Dat is alleraardigst, omdat er nauwelijks correspondentie uit de laat-koloniale tijd is uitgegeven. Deze schemerjaren van het koloniale bestuur, met hun merkwaardige atmosfeer van politieke behoudzucht en sociaal-economische ontwikkelingsdrang, zijn in de schaduw van de Japanse bezettingsverhalen gebleven. De brieven, vlekkeloos uitgegeven en mooi ingeleid door haar zoon, geven een interessante blik in de ongemakken van een koloniaal huishouden in een geïsoleerd buitengewest, ver weg van de danspartijen van het meer mondaine Java.

Oet kwam uit een gezin van landarbeiders in Wezep. Met slechts een lagere-schooldiploma maar een diep geloof volgt zij haar man naar zijn bestuursposten op de Kleine Soenda-eilanden. Je krijgt bewondering voor de wijze waarop zij het haar onbekende leven in deze uithoek eigen maakt. Voor de controleur ligt de wereld open; hij reist te paard of per auto door zijn afdeling en wordt overal met egards ontvangen. Hij kan zich verdiepen in de cultuur en gewoonten van de eilandbewoners. Zijn echtgenote zit thuis, moppert over het personeel, naait gordijnen, en probeert iets van een Europees huishouden te creëren.

Jolijt

Op het moment dat de gedoetjes over de kaartavondjes, het gebrek aan geestelijk leven en de eenzaamheid van de controleursvrouw zowel haar als de lezer op de zenuwen gaan werken, breekt de oorlog uit. Het gezin wordt door de Japanners gevangengenomen en Oet komt met haar drie kinderen in het vrouwenkamp Kampili op Zuid-Celebes terecht. Tijdens de internering stokt de correspondentie, die na de bevrijding in augustus 1945 wordt hervat als het herenigde gezin weer op Timor neerstrijkt. De drieënhalf tussenliggende jaren hebben Oet én de wereld veranderd: de archipel is in beweging en het bestaan op de controleurspost is er een stuk levendiger door geworden. Het besef dat het met de kolonie gedaan is, dringt dan wel door, en daarmee een gevoel van vervreemding en een zekere haast weg te komen.

Waren de Nederlandse vrouwen de steunpilaren van de koloniale verhoudingen, zoals zoon en bezorger Henk Schulte Nordholt zich afvraagt. Een sterke culturele invloed in Europese kring hadden de vrouwen wel, maar of de afstand van de Nederlandse bestuurders tot de inheemse samenleving daarmee groter werd, blijkt niet uit Oets brieven. Daarvoor bleef het gezinsleven en het domein van de vrouwen te ver verwijderd van het openbare leven van de mannen.

De twee memoires van de Soerabajase advocaat Koos Sinninghe Damsté, Advocaat-soldaat, en van de controleur Eugène de Raadt, De schaduw van de klapperboom, vertellen het verhaal van die mannenmaatschappij. De eerste is een goedgehumeurde totok, die de sfeer van het Groningse rechtendispuut naar de kolonie heeft meegenomen. Een rechtgeaard gelovige in de Nederlandse koloniale missie: `Dit is een goed land ... en ik ben er trots op. Wat Nederland hier gebracht heeft, mag gezien worden, de laatste veertig jaren waren er van bewust streven naar welvaart en naar ontplooiïng.' Naast zijn functie in de advocatuur, bekleedt Koos het voorzitterschap van de Simpang Club in Soerabaja, bolwerk van koloniale jolijt. Een slimme, joviale vent – hij werd later hoofd van de BVD – die de lulligheid van zijn mede-kolonisten niet zelden aan de kaak stelt. Zijn relaas van de farcicale verdediging van Soerabaja tegen de Japanse invasietroepen is niet alleen vermakelijk; het illustreert tevens hoe het geblinddoekte Nederland zijn beheer over de kolonie als een onverwoestbare realiteit bleef zien, ondanks de toenemende Indonesische protesten en de buitenlandse dreiging.

Het grootste deel van Koos' herinneringen beslaan de jaren in Japans krijgsgevangenschap, eerst in Soerabaja, vervolgens in het werkkamp op Haroekoe in Ambon, en uiteindelijk aan de Pakan Baroespoorweg in Midden-Sumatra. Hij ontpopt zich ook hier als een gangmaker, die het zware leven probeert te verlichten door het organiseren van lezingen en nagespeelde VOC-vergaderingen. Ook in het kamp gaat het clubleven door, wellicht tot redding, en zeker tot geruststelling van velen.

Eugène de Raadt steekt wat pover af bij de welbespraakte bonhomie van Sinninghe Damsté. Geboren in Malang, met ergens nog wel een Indonesiër onder de voorouders, is hij veel meer in Indië thuis dan de nieuwkomer Damsté. Hij gaat school in Nederland en volgt er de opleiding tot bestuursambtenaar. Vanaf 1935 maakt hij carrière in de Indische bestuursdienst, vooral in Zuid-Sumatra. De Raadts relaas is fragmentarisch, vaak verward en zijn uiteenzettingen zijn doorspekt met mythevorming en verhalen van horen zeggen. Toch overheerst ook bij hem de overtuiging van de rechtvaardigheid en effectiviteit van het Nederlandse bestuur. Het aardigst zijn de uitweidingen over de Sumatraanse flora en fauna, een fascinatie die hem ook in het Japanse interneringskamp begeleidt: `Er viel hier heel wat te zien, vierenvijftig soorten.' Storend daarentegen zijn de talloze praatjes over het karakter van bevolkingsgroepen. Natuurlijk in de eerste plaats over de Japanners, maar dat is niet onbegrijpelijk. `Moord op mensen behoorde tot hun cultuur', schrijft hij. Ook acht hij Indo-Europeanen superieur aan de Nederlanders, omdat rasvermenging het beste in de mens bovenbracht, althans in de `plusvarianten'.

Vooroordelen

De vier levensverhalen zijn nogal matig geschreven, maar ze bieden wel inzicht in het geestelijk klimaat in de Nederlandse gemeenschap in Indië vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Het beeld is soms aandoenlijk, maar vaak ook ergerlijk. De groepsoordelen zijn niet van de lucht: bijna vanzelfsprekend hebben de Japanners kromme benen en afzichtelijke petjes op. Sinninghe Damsté verhaalt hoe hij de Simpang Club exclusief Europees probeerde te houden. En toen hij tijdens een transport in de haven van Jakarta een groep Duitsers tegenkwam, dacht hij: `Die snappen heel goed, als ze ons merendeels Europese, in kennelijk droeve omstandigheden verkerende troep zien, dat zíj aan de verkeerde kant staan.' De memoires van de twee Nederlandse mannen staan werkelijk bol van de koloniale zelfrechtvaardiging en vooroordelen; ze getuigen van een sterke preoccupatie met orde en rust, een volstrekt geloof in de juistheid en bestendigheid van het Nederlandse bestuur.

Voor controleursvrouw Oet is het leven iets praktischer en haar uitspraken zijn veel minder politiek geladen. Toch is ook haar wereld gescheiden in de `eigen' en de `andere' kring. Zij doet wel boodschappen bij de toko, maar niet op de pasar. Bezoekjes legt zij alleen af bij de andere spaarzame Nederlanders – geen wonder dat ze zich stierlijk verveelt als haar man op tournee is.

Fascinerend is hoe alle vier de levens door de oorlogstijd werden omgegooid. Zonder uitzondering was de oorlog voor allen een waterscheiding. Het meest evident is dat bij Minarsih Soedarpo. De Japanse bezetting opende haar de ogen voor de mogelijkheid en wenselijkheid van een onafhankelijk Indonesië. Nederlanders hebben in het verleden graag aangenomen dat het Indonesische nationalisme een creatie was van de Japanse bezetter. Maar de schok van de plotselinge Nederlandse ondergang wekte veel Indonesiërs, zeker uit gegoede kringen, uit hun sluimer. De elite kon zich vervolgens gedurende ruim drie jaar voorbereiden op het Indonesiërschap. Van oorlogsleed lijkt in deze hogere klassen overigens weinig sprake te zijn.

Terwijl Minarsih mijmerde over de toekomst van Indonesië en twijfelde over de avances van een Japanse aanloper, hadden de drie Nederlanders, achter omheining en prikkeldraad, ook alle tijd tot overpeinzing. Bijzonder is de volslagen afwezigheid van klagerigheid. Malaria, dysenterie, tropenzweren, luizen; ze waren bestanddeel van het kampleven, en ontbreken ook hier niet. Desondanks, zo schrijft Eugène de Raadt: `Zonder deze periode was ik bepaald geestelijk armer gebleven'. En Koos Sinninghe Damsté schrijft over zijn vertrek uit het kamp: `We hebben het samen goed gehad ... Het allerbelangrijkste voor mij is, dat ik mezelf gevonden heb.'

Ook Oet Schulte Nordholt heeft een kleine innerlijke verschuiving doorgemaakt, als we op haar brieven mogen afgaan. Waar ze voor de oorlog vooral piekerig deed over haar huishouden, doen na haar terugkeer uit het kamp een zekere flinkheid en losheid hun intrede in de brieven. Zo snijdt zij voor het eerst politieke onderwerpen aan, waar deze voor de Japanse inval tot het domein van haar man behoorden. Het koloniale leven was van zijn vanzelfsprekendheid ontdaan. Het kampleven, waar de vrouwen er alleen voor stonden, lijkt een emanciperende invloed op de geïnterneerden te hebben gehad.

Na de Japanse capitulatie is het oude Indië nooit meer teruggekeerd. Koos Sinninghe Damsté erkende dat al tijdens zijn kamptijd, voor Eugène de Raadt – geboren in het land en daarom misschien meer verknocht aan de oude orde – kwam het besef later: `Hoe zou men zich kunnen indenken dat twee volkeren, gescheiden door tienduizend kilometer afstand en vier eeuwen cultuur, ooit vrijwillig zouden samengaan?' Het is overheersen of vertrekken. De Nederlanders beginnen te denken aan recuperatie en repatriëring. Oets Schulte Nordholt en haar man en kinderen keren, enigszins opgelucht, in 1947 naar Nederland terug. Koos Sinninghe Damsté wordt aanklager bij het Tokio Tribunaal, maar weet daar in zijn memoires weinig nieuws over toe te voegen. Eugène de Raadt blijft langer: hij vecht tegen de Republikeinen op Bangka en na een kort verlof komt hij weer als bestuurder in Zuid-Sumatra terecht. Pas na de soevereiniteitsoverdracht vertrekt hij definitief naar Nederland. Hij was blij uit het chaotische land weg te zijn, maar pas later treft hem de melancholie van het vertrek: `Dit was mijn land geweest ... had getracht het te begrijpen, had getracht het te ontwikkelen.'

Alleen Minarsih Wiranatakoesoema zoekt bestendigheid in Indonesië. Tijdens de bezettingsjaren was ze in Jakarta in contact gekomen met de jonge intellectuelen van de medische faculteit die stonden te trappelen om het roer van de Japanners over te nemen. Na de onafhankelijkheidsverklaring meldt Minarsih zich als vrijwilligster bij het Indonesische Rode Kruis. Later komt zij bij de redactie van het Indonesische, maar Nederlandstalige tijdschrift Het Inzicht te werken. Zij ontmoet er Soedarpo, rechterhand van Sutan Sjahrir, de premier van de Indonesische Republiek. Na hun huwelijk verdwijnt de politieke wereld uit zicht: de spanning van de adolescentenjaren vond zijn apotheose in het onafhankelijke Indonesië en het huwelijk.

Minarsih schreef haar herinneringen om een belofte aan haar moeder te voldoen. Oet schreef geen memoires: zij onderhield de band met haar familie en geboorteland; degene die terugblikt is haar zoon, die de brieven ontdekte en uitgaf. Voor Koos en Eugène is de afstand in tijd en plaats tot hun eigen verleden de belangrijkste beweegreden geweest om hun herinneringen op te schrijven.

Eugène A.P. de Raadt: De schaduw van de klapperboom. Bonneville, 528 blz. ƒ49,90

Henk Schulte Nordholt (red.): Het dagelijks leven in Indië 1937-1947. Brieven van O. Schulte Nordholt-Zielhuis.Walburg Pers, 256 blz. ƒ34,50

J.S. Sinninghe Damsté: Advocaat-soldaat.Van Soeren & Co, 253 blz. ƒ46,-

Minarsih Soedarpo: Niet louter kleine toegenegenheden. Herinneringen van een Indonesische vrouw 1924-1952. KITLV Uitgeverij, 101 blz. ƒ19,-