Hilde

Er was eens een meisje, haar naam luidde Hilde,

Dat zei dat zij nimmer gezoend worden wilde,

Dat zoenen moest voelen alsof men je vilde,

Dat bij de gedachte alleen al zij rilde.

Ze sprak: O dat zoenen is enkel voor oenen,

Dat strelen en zoenen, dat laat mij lauw-loene,

Ja veel liever is mij om vloeren te boenen,

Nee nooit wil ik zoenen, nee niet voor milioenen!

Toch droomde wel eens dat verstilde kind Hilde,

Dat er ook nog iets anders moest zijn dat zij wilde,

Iets dat haar boven het boenen uittilde,

Dat boenen haar honger naar dat andere niet stilde.

't Gebeurde zelfs wel dat ze dacht onder 't boenen:

Ja eigenlijk sta ik niet sterk in mijn schoenen,

Ach kwam er maar iemand om mij te ontgroenen,

Dan kon ik naar hartelust zoenen en zoenen.