Het geheim van de halvemaanbillen

Kunnen clichés mettertijd zo verslijten dat ze weer bruikbaar worden? In zijn derde dichtbundel gaat Ruben van Gogh de maan en de liefde niet uit de weg. En ook de combinatie van die twee – een patent recept voor `candlelight'-poëzie – ontbreekt niet in De hemel in, de hemel uit. Bij Van Gogh is de maan echter geen sleets symbool, maar `die grote fotostudio van waan', die je doet twijfelen aan de realiteit van de Amerikaanse maanlanding. Beter is het maar met beide voeten op de grond te blijven. Daar leent de maan zich in ieder geval nog voor liefdevolle beeldtaal:

draai je om, draai je om

ik wil je billen zien

je grote zilverwitte

halvemaanbillen wil ik zien

het langstbewaarde maangeheim

- niemand weet of ze er zijn

maar misschien

misschien heb ik ze al gezien

er is leven er is leven kijk

er is leven op de maan

doe maar snel je ogen dicht

daar komt de aarde aan

Deze slotstrofen van `Maanbekering' zijn typerend voor de toon van veel van Van Goghs gedichten. Het terloopse rijm en de herhalingen versterken het zangerige element, en tot slot is er een snufje humor. Het vers is dan ook vooral bedoeld als voordrachttekst.

`Wij doen gewoon/ wat we moeten/ doen/ weet je', schrijft Van Gogh in `Masterclass', maar zo gewoon zijn zijn verzen nu ook weer niet. Ze wortelen stevig in de traditie van een dichtkunst die het grote publiek zocht en, buitenslands meer dan in onze streken, ruimschoots kreeg. De cyclus `Nabestaanden van de zee', achter in De hemel in, de hemel uit, toont dat Van Gogh in ieder geval in de leer was bij de dichter van Paroles, Jacques Prévert (1900-1977). De melancholische ondertoon van diens werk klinkt door in de verzen van de Groningse podiumdichter. En net als zijn populaire voorganger schrijft Van Gogh in een quasi-eenvoudige spreektaal, doorspekt met nu eens hortende, dan weer versnellende herhalingen. Het surrealistische jasje van Prévert kreeg weliswaar een metafysisch kleurtje, en onderwerpen als `Spacewagon' en `Starship Enterprise' verraden dat Van Gogh nog maar een kind was toen zijn Franse meester overleed, maar er is onmiskenbaar verwantschap.

In de eerste cyclus van de bundel, `Wandelen door een 2-persoonsalfabet', is al veel te beleven, maar de beste verzen staan vind ik toch in `Een vluchteling in niemandsland'. Het gedicht `Operatie Smit-Tak' bij voorbeeld verhaalt met verve hoe twee sleepboten van het beroemde havenconcern de maan, die op een dwaalspoor draaide, met dikke stalen kabels weer de juiste ommezwaai gaven. Die `slingeractie' had ook op aarde gevolgen, want:

de maan draaide nog niet in

vol vertrouwen rond het dagelijkse leven

of de president van een grote firma gaf

zijn secretaresse een schouderklopje en zei:

je ziet er mooi uit Suzy, wist je dat?

Maar het is niet altijd humor die de kracht van Van Goghs beste verzen bepaalt. In het sterkste vers van de bundel, `Terug naar de vlakte', is die rol toebedeeld aan de melancholie die zich meester maakt van de plek waar vijf Groningse fabrieksschoorstenen worden opgeblazen. Zonder clichés, zonder stoplappen en beheerst getimed brengt Van Gogh het eind van deze resten van het stoomtijdperk in beeld. De val van de 115 meter hoge schoorstenen wordt waargenomen door zes Groningers: Mulder, De Vries, De Boer, Hartema, Diepenringh en Van IJken. De laatste toeft met zijn gedachten even bij de hoge hoogblonde haren van het meisje dat, eenmaal zijn vrouw, onder de schaar ging, en dan verschrompelen de stenen reuzen:

Mulders blik vernauwde zich,

De Vries moest huiveren, zomaar koud,

De Boer verschrompelde, zomaar oud,

de wind stak op, de zon verdween,

en 1 voor 1, als de vertraagde film

van later op tv, zakten de schoorsteen-

pijpen met een diepe zucht van

geen idee de lange diepte in

en waaierden uiteen in één brede

grijze wolk van afgeknipte krullen;

Hartema dacht aan de eerste keer,

Dieperingh was nergens meer

En dan plotseling verandert Van Gogh het register. De Groningse anekdote krijgt een onverwachte, kosmische conclusie:

we zullen, we zullen: trek de dekens op,

de hemel in, het is nog niet voorbij

Meer dan in Het omgelegde Eelderdiep (1992) en De Man van Taal (1996) is Ruben van Gogh wat hij sinds zijn tweede bundel ambieert te zijn: het stilistisch begaafde neefje van Archie, de Man van Staal – een ijzeren stripheld uit de jaren '60 en '70. Waar hij zoals in `Terug naar de vlakte' werkelijk die Man van Taal blijkt zingt zijn vers, zelfs al werd het voor het podium geschreven, ook op papier. En daar beklijft het.

Ruben van Gogh:De hemel in, de hemel uit. Prometheus, 61 blz. ƒ29,90